Citaat | Gerechtshof Den Haag 3 juni 2026

Onder 5.6 Gerechtshof Den Haag 3 juni 2026

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 3 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2182.

Tussen partijen staat ter discussie waar zij hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is het hof voldoende duidelijk gebleken dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na hun huwelijkssluiting in Nederland hebben gevestigd. Het hof overweegt daartoe als volgt. Niet alleen heeft de vrouw onvoldoende concreet gesteld en met onvoldoende stukken onderbouwd dat partijen na hun huwelijkssluiting hun eerste gewone verblijfplaats in Marokko hebben gevestigd, maar ook blijkt uit het BRP en de stellingen van partijen daaromtrent ter mondelinge behandeling dat partijen hun gewone verblijfplaats destijds in Nederland hebben gevestigd. Gelet hierop, is, naar het oordeel van het hof, ingevolge artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/208e2ef4be6610bed9da1c9bc4ba6a5cc404a5d777cd3ef116b22b1480c241bd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 208e2ef4be6610bed9da1c9bc4ba6a5cc404a5d777cd3ef116b22b1480c241bd, en de alinea staat in dat document op bytes 29000 tot 29950.