Citaat | Gerechtshof Den Haag 31 maart 2026

Onder 5.10 Gerechtshof Den Haag 31 maart 2026

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 31 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:494.

Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof heeft [appellante] zich op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat de artikelen A lid 2 sub a onder 4, 5 en 6 van het Verplichtstellingsbesluit van belang zijn om te bepalen welk type dienstverlening onder de werkingssfeerbepaling valt. Dat type is volgens haar beperkt tot dienstverlening op de bouwplaats, door de bouwer elders verricht voorbereidingswerk voor dienstverlening op de bouwplaats en machineverhuur. Het hof onderschrijft die visie niet. Uit de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling volgt niet dat ‘gericht zijn op dienstverlening’ als bedoeld in artikel A lid 2 lid sub a onder 1 moet worden gelezen in samenhang met de artikelen A lid 2 sub a onder 4, 5 en 6, laat staan dat eerstgenoemde bepaling vanwege de vermeende samenhang beperkt zou moeten worden uitgelegd. Dit sluit aan op de conclusie van de AG onder 3.21, waarin deze overweegt dat de bepalingen van artikel A lid 2 sub a onder 1 en A lid 2 sub a onder 4, 5 en 6 zich op hetzelfde (tweede) niveau bevinden. Zij zijn dus nevengeschikt. Ook lijkt de visie van [appellante] niet in overeenstemming te zijn met de verwijzing naar artikel A lid 2 sub a onder 1 onder a Verplichtstellingsbesluit in randnummer 3.27 van de conclusie van de AG.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e2ff9f0ecba525299297ac576731835d7e09c4d302318974df8857f57efb4d9b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e2ff9f0ecba525299297ac576731835d7e09c4d302318974df8857f57efb4d9b, en de alinea staat in dat document op bytes 34054 tot 35336.