Citaat | Gerechtshof Leeuwarden 29 mei 2002

Alinea 39 Gerechtshof Leeuwarden 29 mei 2002

Een alinea uit Gerechtshof Leeuwarden 29 mei 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4419.

5. Vaststaat dat de bank haar recht op parate executie, dat haar als pandhouder toekomst, niet zelf heeft uitgeoefend op de voet van art. 57 lid 1 Fw. De voorraden zijn immers onderhands verkocht door de curator, na toestemming van de rechter-commissaris, op basis van een overeenkomst tussen de curator en de bank, waarna de curator aan de bank de opbrengst heeft betaald. Volgens de overeenkomst tussen de bank en de curator is (1) de opbrengst na aftrek van de boedelbijdrage geheel aan de bank ten goede gekomen, waartegenover (2) de bank afstand heeft gedaan van haar pandrecht en (3) de bank buiten de omslag van de faillissementskosten gebleven. Naar het oordeel van het hof moet deze handelwijze worden aangemerkt als een vorm van lossing in de zin van art. 58 lid 2 Fw. Het hof verwijst ter zake naar HR 13 maart 1987, NJ 1988, 556 WMK (Ontvanger/mr Spruyt qq), waarin de Hoge Raad aldus besliste ten aanzien van een overeenkomst tot onderhandse verkoop door de curator van een hypothecair verbonden onroerend goed, met doorbetaling van de integrale opbrengst aan de hypotheekhouder.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f971ea1a5d964fbf9b66d4eb7502ec170c78b3dcc3d3b9ca67f4dcbcd5655505. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f971ea1a5d964fbf9b66d4eb7502ec170c78b3dcc3d3b9ca67f4dcbcd5655505, en de alinea staat in dat document op bytes 9110 tot 10215.