Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 5 maart 2002
Alinea 151 Gerechtshof 's-Gravenhage 5 maart 2002
Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 5 maart 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AE0653.
6.3.7. Tot slot nog een enkele opmerking over de brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie bouwfraude van de Tweede Kamer van 18 januari 200238, waaruit de verdediging bij repliek uitvoerig heeft geciteerd. Deze brief heeft betrekking op de problemen die zich kunnen voordoen bij de samenloop van een parlementair onderzoek en een strafrechtelijk onderzoek. Geen van de door de Minister van Justitie geschetste problemen heeft betrekking op de keuze die nu juist V. heeft gemaakt, namelijk het afleggen van een verklaring in parlementair onderzoek, welke een redelijk vermoeden van schuld aan meineed opleverde. "Het beste wat een verdachte dan ook kan doen" - aldus de Minister van Justitie - "is pogen door een parlementaire enquĂȘtecommissie te worden gehoord, daar een volledige bekentenis af te leggen waarmee hij zich in een positie brengt die nog het meest lijkt op strafrechtelijke immuniteit."39 Maar dat heeft V. nu juist niet gedaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/89787ae0296b2ee25654adf1ce06be9136521a425970c682541e3211e039cd28. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 89787ae0296b2ee25654adf1ce06be9136521a425970c682541e3211e039cd28, en de alinea staat in dat document op bytes 82280 tot 83290.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/89787ae0296b2ee25654adf1ce06be9136521a425970c682541e3211e039cd28 | shasum -a 256