Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 27 mei 2004
Alinea 145 Gerechtshof 's-Gravenhage 27 mei 2004
Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 27 mei 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151.
8.5 Met betrekking tot de vraag of in dit geval causaal verband aanwezig is overweegt het hof als volgt. Het College van Rechtspraak heeft overwogen dat de actuaris zijn opdrachtgever er uitdrukkelijk (schriftelijk) voor had moeten waarschuwen dat en waarom de financiële positie van Vie d'Or zich zodanig dreigde te ontwikkelen dat de continuïteit van de onderneming in gevaar kwam en dat hij (of zijn opvolger) zich dus bij ongewijzigd beleid mogelijk niet langer in ongeclausuleerd goedkeurende vorm over de jaarrekening zou kunnen uitspreken. In het midden kan blijven of de directie zich veel aan een dergelijke waarschuwing gelegen had laten liggen indien deze uitsluitend tot haar zou zijn gericht, omdat het hof van oordeel is dat indien, zoals de actuaris had behoren te doen, ook een afschrift aan de raad van commissarissen was gezonden, een situatie zou zijn gecreëerd waar de beide organen moeilijk onderuit konden, al was het alleen maar om mogelijke civielrechtelijke aansprakelijkheid te voorkomen. Uit de beschikking van de Ondernemingskamer van 9 juli 1998 in de enquêteprocedure en het verslag van onderzoekers waarop die uitspraak is gebaseerd, blijkt dat, naar hun oordeel, de raad van commissarissen door haar voor een verzekeringsmaatschappij onevenwichtige samenstelling, onder meer onvoldoende deskundigheid bezat om de gang van zaken bij Vie d'Or, met name vanaf 1989 - het jaar van waaraf Vie d'Or zich ging richten op een breed publiek - te beoordelen en te begeleiden, en ernstig tekort is geschoten bij het beoordelen van de strategie, de resultaten en de interne organisatie van Vie d'Or over met name de jaren 1989 en 1990. Het hof leidt hieruit af dat de raad van commissarissen van Vie d'Or onvoldoende deskundigheid bezat om de problemen bij Vie d'Or zelf boven water te krijgen en dat hij daartoe ook onvoldoende initiatief ontplooide. Het hof heeft evenwel geen aanleiding te veronderstellen dat de raad van commissarissen zó slecht functioneerde dat hij een duidelijke waarschuwing van de actuaris, als bij uitstek deskundige op zijn terrein, naast zich zou hebben neergelegd. Die waarschuwing hield immers twee elementen in die duidden op een potentieel zeer ernstige situatie indien adequate maatregelen zouden uitblijven: de mogelijkheid dat de continuïteit van de onderneming in gevaar zou komen en de dreiging met het onthouden van een ongeclausuleerde goedkeuring bij de jaarrekening. Het hof merkt op dat dit laatste element met name daarom als ernstig zou zijn opgevat, omdat door het onthouden of clausuleren van de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening naar buiten toe van de problemen bij Vie d'Or zou blijken en het functioneren van Vie d'Or als levensverzekeringsmaatschappij ernstig zou worden bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b9542e17600f2996154abf1f68226cc57178c541a83d20b2bd27cf91e407b076. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b9542e17600f2996154abf1f68226cc57178c541a83d20b2bd27cf91e407b076, en de alinea staat in dat document op bytes 71458 tot 74270.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b9542e17600f2996154abf1f68226cc57178c541a83d20b2bd27cf91e407b076 | shasum -a 256