Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 11 november 2004

Onder 3.2 Gerechtshof 's-Gravenhage 11 november 2004

Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 11 november 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AY4933.

[appellant] stelt zich vervolgens op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte als ijkpunt voor de waarde van de verkochte [automerk 1] en de door [appellant] geleden schade het tijdstip van verkoop heeft gehanteerd. [appellant] verwijst in dat verband naar HR 25 juni 1991, NJ 1991, 823. Volgens hem is het moment van beslag bepalend. Overigens meent [appellant] dat, indien wel het moment van vervreemding beslissend zou zijn, van hem niet meer kan worden verlangd dan dat hij aannemelijk maakt dat de auto voor een te laag bedrag is verkocht. [appellant] wijst erop dat met de verkoop bijna twee jaar is gewacht en dat hem niet bekend is of de verkoop heeft plaatsgevonden aan de hoogst biedende. Volgens [appellant] rijst het vermoeden dat de Staat in strijd met haar verplichtingen als bewaarder onvoldoende inspanning heeft verricht om de auto met de vereiste spoed te vervreemden voor een reële prijs. [appellant] meent er met het rapport van CED Bergweg (waarin de [automerk 1] op ƒ 95.000,-- excl. BTW wordt getaxeerd) in geslaagd te zijn minstens aannemelijk te maken dat de auto voor een te lage prijs is vervreemd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97bcae0878a1c32d5017aa69059858288c7c40256ea4a4ee6c7bc66fa629f15a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97bcae0878a1c32d5017aa69059858288c7c40256ea4a4ee6c7bc66fa629f15a, en de alinea staat in dat document op bytes 25838 tot 26992.