Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 16 juni 2005

Onder 4.2 Gerechtshof 's-Gravenhage 16 juni 2005

Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 16 juni 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:1111.

Ingevolge hoofdstuk 1 § 9A, artikel 56a van de Pachtwet wordt voor de toepassing van het pachtervoorkeursrecht onder pachter verstaan: "de pachter wiens pachtovereenkomst geldt voor ten minste de wettelijke duur dan wel is aangegaan voor een kortere duur, doch nadien voor zes jaren is verlengd en zo nodig is goedgekeurd." Alleen deze pachter heeft een pachtervoorkeursrecht. Zoals de Pachtkamer van het hof te Arnhem op 14 juli 1975 reeds heeft beslist (De Pacht 1976, nr. 3305, p.251 e.v.), zijn mondelinge pachtovereenkomsten niet voor "tenminste de wettelijke duur" aangegaan. Pachters, wier pachtovereenkomsten niet schriftelijk zijn vastgelegd of niet ter goedkeuring bij de grondkamer zijn ingezonden, hebben daarom geen voorkeursrecht van koop. Hetzelfde geldt voor onderpachters.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dffd84021e9b139d7ad4e64909a28f460b7218205bc9afe38b8206e18ba19ec7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dffd84021e9b139d7ad4e64909a28f460b7218205bc9afe38b8206e18ba19ec7, en de alinea staat in dat document op bytes 15191 tot 16099.