Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2007

Alinea 34 Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2007

Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0733.

14. Deze immuniteit van jurisdictie heeft hier te lande echter geen absoluut karakter. Gewezen wordt op de voor Nederland op 22 mei 1985 in werking getreden Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van staten van 16 mei 1972, Trb. 1973, 43 (hierna: Europese Overeenkomst). Die neemt weliswaar de immuniteit van jurisdictie als uitgangspunt, maar geeft daarop in hoofdstuk I (artt. 1 t/m 14) een reeks uitzonderingen, terwijl artikel 24 de mogelijkheid biedt om op nog ruimere schaal kennis te nemen van geschillen tegen vreemde staten. Alleen voor handelingen die de vreemde staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak, de zogenaamde acta iure imperii, blijft de immuniteit steeds gehandhaafd. Over de verruimde mogelijkheid van artikel 24, de “zône grise”, zegt de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet (MvT, Kamerstukken II, 1981-1982, 17 485, nr. 3, p. 5/6): “De door art. 24 van de Overeenkomst gegeven bevoegdheid (..) kan (..) niet worden uitgeoefend indien deze gebaseerd is op een der in de Bijlage bij de Overeenkomst opgesomde “exorbitante” bevoegdheidsgronden. (..). Weliswaar kan door het aanvaarden van de “zône grise” het in de artikelen 4 t/m 12 van Hoofdstuk I van de Overeenkomst gelegde verband tussen de handeling (van de vreemde staat, toevoeging hof) en het grondgebied van de forumstaat worden geëcarteerd, zodat althans gezegd kan worden dat het volkenrecht niet dwingt tot het aantonen van een dergelijk verband als voorwaarde voor rechtsmacht voor de rechter van de forumstaat, doch daarbij dient de voorwaarde, dat rechtsmacht dan toch niet op exorbitante gronden mag zijn gebaseerd niet uit het oog te worden verloren. Niet alle krachtens de Bijlage bij de Overeenkomst als exorbitant te kwalificeren bevoegdheidsgronden komen in het Nederlandse recht voor. Van de meest praktische betekenis zijn de gronden onder a en c genoemd. De woonplaats van de eiser is volgens artikel 126, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), indien de verweerder geen erkend verblijf in het Koninkrijk heeft, een juridische grondslag voor (..) internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Echter, krachtens artikel 3 van het EEG-executieverdrag (Trb. 1969, 101) kan deze bevoegdheidsbepaling niet worden ingeroepen tegen degene, die op het grondgebied van een andere EEG-staat zijn woonplaats heeft, en derhalve a fortiori niet tegen die andere lid-staten zelve. Het is in dit licht niet onredelijk, dat op deze grondslag andere Overeenkomstsluitende Staten dan de EEG-lid-staten, evenmin op grond van artikel 126, derde lid, Rv, in Nederland in rechte kunnen worden betrokken. Dat de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter in het ene geval mede uit het EEG-executieverdrag en in het andere geval uitsluitend uit een beroep op immuniteit voortkomt, maakt voor de uitkomst niet uit.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2a8a4de7b76dd25e701275a52d31f7af76710ad169077da0cfd09596731f7770. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2a8a4de7b76dd25e701275a52d31f7af76710ad169077da0cfd09596731f7770, en de alinea staat in dat document op bytes 18196 tot 21077.