Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2011
Alinea 113 Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2011
Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV1153.
5.4 De door Eneco bedoelde 'lig- en legrechten' zijn vastgelegd in artikel 1.1 van het Convenant. De Gemeente - die dit niet betwist - heeft echter terecht opgemerkt dat blijkens dit artikel de bevoegdheid van Eneco om in gemeentegrond leidingen tot stand te brengen en te houden, is gebonden aan de voorwaarde dat 'eventueel benodigde specifieke vergunningen' zijn verkregen. Het vergunning-vereiste maakt, naar GEB/Eneco heeft moeten begrijpen, dus deel uit van het contract. In vordering D (i) van Eneco is hiermee geen rekening gehouden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze ongeclausuleerde vorm dit vordering-onderdeel niet toewijsbaar is. De stelling van Eneco, dat met die voorwaarde is gedoeld op vergunningen die nodig zijn in het kader van de ruimtelijke ordening, zoals een bouwvergunning of een vergunning op basis van de toenmalige Hinderwet, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat, indien dat zo zou zijn, dat niet wegneemt dat de contractuele bevoegdheid om leidingen tot stand te brengen en te houden niet bestaat wanneer zo'n vergunning wel is vereist, maar niet wordt verleend. Indien deze stelling van Eneco mede zou stoelen op de gedachte dat niet het enkele houden van een leiding, maar alleen het aanleggen daarvan vergunningplichting is onder de Ruimtelijke Ordening-wetgeving, kan haar dat niet baten nu zij geen belang meer heeft bij haar vordering D (i) waar het gaat om leidingen die ten tijde van de verzelfstandiging al in de grond lagen (zie rov. 5.2) en de andere in grond van de gemeente gelegen leidingen daarna moeten zijn tot stand gebracht/aangelegd. Indien de 'lig- en legrechten' tevens zouden voortvloeien uit de artikelen 2.3 en 3.1 van het Convenant en artikel 3 lid 1 van de Concept-overeenkomst dan is dat op zo impliciete wijze gebeurd dat niet redelijkerwijs kan worden gemeend dat hiermee de expliciete voorwaarde van artikel 1.1 van het Convenant terzijde wordt gesteld. Onderdeel (i) van vordering D is gelet op dit een en ander niet toewijsbaar. Grief 6 van Eneco faalt. Het voorgaande laat overigens onverlet dat destijds is afgesproken dat behoudens daartoe eventueel benodigde vergunningen GEB/Eneco gerechtigd was om leidingen in de grond van de Gemeente leidingen tot stand te brengen en te houden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3cd37e24d182c48401377f38eb466b5ebe53fc5afa26aaef2cbc2aa0d91e8aed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3cd37e24d182c48401377f38eb466b5ebe53fc5afa26aaef2cbc2aa0d91e8aed, en de alinea staat in dat document op bytes 50425 tot 52711.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3cd37e24d182c48401377f38eb466b5ebe53fc5afa26aaef2cbc2aa0d91e8aed | shasum -a 256