Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2011

Alinea 88 Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2011

Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 20 december 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV1153.

4.6 Het voorgaande neemt niet weg dat in 1992 onzekerheid bestond over de goederenrechtelijke status van leidingen in andermans grond. Pas in de Kabelarresten van 6 juni 2003 (BNB 2003/271 en 2003/272) heeft de Hoge Raad (HR) beslist dat in de grond gelegen kabels onroerend zijn en artikel 5:20 lid 2 BW, waarop de Gemeente zich nu beroept, bestond in 1992 nog niet. Ten tijde van de verzelfstandiging in 1992 kon derhalve de gedachte leven dat verticale natrekking niet zou optreden hetzij omdat ondergrondse leidingen door horizontale natrekking op de voet van de laatste zinsnede van artikel 5:20 lid 1 sub e BW deel uitmaakten van een netwerk, hetzij omdat zij roerend waren, zoals door de AG in zijn conclusie bij de Kabelarresten is betoogd. De Akte van Inbreng kan echter redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat partijen uitgingen van horizontale natrekking aangezien in artikel 8 lid 2 van de Akte van Inbreng staat vermeld dat de leidingen 'deel uitmaken van onroerende zaken die niet zijn toe te rekenen' aan het 'oude' Gemeente-Energiebedrijf' en met deze 'onroerende zaken' klaarblijkelijk is bedoeld: de grond van de Gemeente. Evenmin kan de Akte van Inbreng redelijkerwijs worden beschouwd als berustend op het uitgangspunt dat de leidingen roerend waren. Als door Eneco onweersproken gesteld staat vast dat voor 'economische' levering is gekozen omdat anders honderden kilometers grondtracés in kaart moesten worden gebracht en kadastraal zouden moeten worden ingemeten. In de toelichting op het raadsbesluit van 29 oktober 1992 wordt in verband met de in economische eigendom gegeven bedrijfsmiddelen eveneens gesproken over het 'doen overgaan naar de N.V. GEB door middel van kadastrale overschrijvingen'. Omdat kadastrale inmeting/overschrijving niet nodig is bij overdracht van roerende zaken, blijkt hieruit dat de leidingen niet als zodanig werden gezien. De Gemeente heeft bovendien niet (voldoende duidelijk) gesteld dat zij er bij de verzelfstandiging in 1992 van uit ging dat bij de leidingen sprake was van horizontale natrekking of dat deze roerend waren. Bij deze stand van zaken was in 1992 het vestigen van een opstalrecht de enige mogelijkheid om de leidingen in eigendom over te dragen. GEB heeft op grond van de Akte van Inbreng dus redelijkerwijs mogen menen dat haar een opstalrecht (economisch) werd verleend en de Gemeente, die geacht moet worden over de benodigde juridische kennis te hebben kunnen beschikken, heeft artikel 8 lid 2 van de Akte van Inbreng redelijkerwijs niet anders kunnen opvatten, ook al is het opstalrecht in die akte niet met zoveel woorden genoemd. Dit betekent dat die akte een overeenkomst behelst die inhoudt dat GEB een (economisch) opstalrecht op de leidingen zou verkrijgen. Tegenbewijslevering als door de Gemeente aangeboden onder 8.1 MvA is nu niet meer aan de orde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3cd37e24d182c48401377f38eb466b5ebe53fc5afa26aaef2cbc2aa0d91e8aed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3cd37e24d182c48401377f38eb466b5ebe53fc5afa26aaef2cbc2aa0d91e8aed, en de alinea staat in dat document op bytes 32503 tot 35357.