Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 30 oktober 2012

Alinea 65 Gerechtshof 's-Gravenhage 30 oktober 2012

Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 30 oktober 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:5322.

14. In het eerste lid van artikel 3:246 BW wordt de inningsbevoegdheid van de pandhouder voorop gesteld. Dit is ook de normale situatie bij openbaar pandrecht op een vordering, waarbij de mededeling aan de schuldenaar van de verpande vordering een vestigingsvereiste is (zie artikel 3:236 lid 2 BW juncto artikel 3:94 lid 1 BW). De zojuist weergegeven passage uit de PG moet dan ook worden verstaan als uitgaande van de situatie dat de pandhouder inningsbevoegd is. Uit die passage blijkt dat – ook in die situatie – de bevoegdheid tot het verrichten van rechtshandelingen als het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en dergelijke, die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen, bij de pandgever behoort te blijven. Het doen van afstand van recht, dat op één lijn is te stellen met kwijtschelding, is tot deze rechtshandelingen te rekenen, zodat ook hiervoor geldt dat de bevoegdheid daartoe, ook na overgang van de inningsbevoegdheid op de pandhouder, bij de pandgever blijft. Het meer subsidiaire betoog van Immun’Âge gaat dus niet op.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b101559fe395f3c49812645baefe86fc382d7a0b687387072b6a876e521fe478. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b101559fe395f3c49812645baefe86fc382d7a0b687387072b6a876e521fe478, en de alinea staat in dat document op bytes 27395 tot 28504.