Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 11 januari 2012

Alinea 267 Gerechtshof 's-Gravenhage 11 januari 2012

Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 11 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV2117.

7.8. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat belanghebbende na het overlijden van haar vader, krachtens diens intentie zoals tot uitdrukking gebracht in het Begünstigtenreglement, een vermogensrecht behorend tot box 3 heeft gekregen, te weten een deel van diens vermogen waar het ten name van de Stiftung gestelde vermogen toe behoorde. De gemiddelde waarde van dat vermogensrecht stelt het Hof op de uitkomst van de door de Inspecteur gemaakte berekening (onderdeel 4.6) die het Hof op zich aannemelijk voorkomt. Belanghebbende heeft hetgeen zij daartegen in heeft gebracht met onvoldoende bewijsmiddelen gestaafd. Het Hof acht niet aannemelijk dat het in de Stiftung gebrachte vermogen lager is geweest dan het bedrag waarover de broer van belanghebbende destijds in verband met zijn rekening-courantschuld heeft verklaard. Ook zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven te veronderstellen dat een gedeelte dat vermogen niet in deposito’s maar in beursfondsen was belegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bbf316d34a90d5fb84b31bd0f64bd7ac9a2d3d3c2c1e4c984c7cf3d9ef5ce4b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bbf316d34a90d5fb84b31bd0f64bd7ac9a2d3d3c2c1e4c984c7cf3d9ef5ce4b, en de alinea staat in dat document op bytes 87209 tot 88235.