Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 6 augustus 2012

Alinea 86 Gerechtshof 's-Gravenhage 6 augustus 2012

Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 6 augustus 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3707.

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte ten laste gelegd dat zij - zakelijk weergegeven - in of omstreeks de periode van 9 september 1999 tot en met 6 oktober 1999 zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van oplichting. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring ingevolge artikel 70 lid 1 onder 2° Sv in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld en ingevolge het eerste lid onder 3° van artikel 70 Sv, in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld. Ten tijde van het tenlastegelegde gold als strafbedreiging ten aanzien van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste drie jaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8be175139012edfd610caf262aa3bf401248aedc4e5e9d466b92efd5259ccafd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8be175139012edfd610caf262aa3bf401248aedc4e5e9d466b92efd5259ccafd, en de alinea staat in dat document op bytes 27395 tot 28234.