Citaat | Gerechtshof 's-Gravenhage 23 oktober 2012
Alinea 77 Gerechtshof 's-Gravenhage 23 oktober 2012
Een alinea uit Gerechtshof 's-Gravenhage 23 oktober 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0519.
16. Bij deze toetsing neemt het hof als uitgangspunt dat het Hoogheemraadschap in beginsel gerechtigd is zijn retributiebeleid te baseren op de WOZ-waarde van de uit te geven grond, zodat aan hem een redelijk deel van de waardestijging van de grond toekomt. Het hof ziet noch in de omstandigheid dat de door waterschapen verleende opstalrechten een andere historie en achtergrond hebben dan de gemeentelijke erfpachtstelsels, noch in de omstandigheid dat voorheen via toezicht op de waterschappen in een vorm van rechtsbescherming van de opstalhouders werd voorzien, terwijl die rechtsbescherming thans door de burgerlijke rechter wordt geboden, aanleiding om te oordelen dat die waardestijging, die ten minste mede is veroorzaakt door de schaarste van grond, uitsluitend aan de opstalhouders toekomt. Ook de omstandigheid dat mogelijk onder het oud BW de retributie een ander karakter had, maakt dat niet anders, omdat in elk geval bij de totstandkoming van het nieuw BW (dat op de vaststelling van de retributiesystematiek in 2007 van toepassing is) het oogmerk is geweest te bewerkstelligen dat de retributie hetzelfde karakter heeft en door gelijke regels wordt beheerst als de erfpachtcanon (Toelichting-Meijers, parl. gesch. 5, blz. 359). Het bovengenoemde uitgangspunt geldt zowel tegenover nieuwe gegadigden voor een zodanig opstalrecht - dat wordt door SBOH c.s. ook niet (meer) betwist - als voor zittende opstalhouders wier opstalrecht wordt verlengd of heruitgegeven. Uit het bovenstaande blijkt reeds dat de AV70 en de AV2000 zich naar het oordeel van het hof daartegen niet verzetten. Ter zake van het standpunt van SBOH c.s. dat de nieuwe retributiesystematiek in strijd is met het gewoonterecht, overweegt het hof, dat de feitelijke omstandigheid dat de rechtsvoorgangers van het Hoogheemraadschap gedurende 150 jaar de gewoonte hebben gehad opstalrechten te vestigen tegen een lage nominale bijdrage, deze slechts beperkt aan te passen en de waardestijging van de grond aan de houders van het opstalrecht te laten, onvoldoende is om aan te nemen dat een wijziging terzake in strijd is met het gewoonterecht. Daartoe is ten minste vereist dat in een brede kring van betrokkenen aan beide zijden de opvatting heerst dat een andere handelwijze rechtens onjuist is. Dat dat zo is, hebben SBOH c.s. niet onderbouwd. Het hof verwerpt dit standpunt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d2cfd32bd1a9f622ad5a1efa1707ec50ce2ca594f8a906aa51c4165036426ae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d2cfd32bd1a9f622ad5a1efa1707ec50ce2ca594f8a906aa51c4165036426ae, en de alinea staat in dat document op bytes 38678 tot 41050.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8d2cfd32bd1a9f622ad5a1efa1707ec50ce2ca594f8a906aa51c4165036426ae | shasum -a 256