Citaat | Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 juni 2007

Alinea 34 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 juni 2007

Een alinea uit Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 juni 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1981.

4.1.2. Overigens verwijst het Hof naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1996, nr. 31.346, BNB 1997/6, waarin werd bepaald, dat de in artikel 6, lid 2, EVRM, neergelegde onschuldpresumptie niet zo ver gaat, dat de invordering van een niet-vaststaande verhoging niet mogelijk is. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in zijn oordeel van 23 juli 2002 (Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic tegen Zweden, nr. 36 985/97, BNB 2003/2), in de paragrafen 118 tot en met 122 geoordeeld, dat invordering van boetes in belastingzaken onder omstandigheden in strijd kan zijn met de onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2, EVRM. Beoordeeld dient te worden of het belang van de Staat der Nederlanden om de boete in te vorderen, voordat deze vaststaat, even zwaar weegt als het belang van belanghebbende bij het niet-invorderen van de boete. Hierbij is van belang of een ingevorderde boete terug kan worden gekregen en de juridische positie van een belastingschuldige kan worden hersteld, ingeval de belastingrechter beslist, dat de boete onterecht is opgelegd, en is ook de hoogte van het bedrag aan boete van belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2cefdde6b589c96a3cc1be4b9782cfd60e4ed453cec463a53be0e7a01974f6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2cefdde6b589c96a3cc1be4b9782cfd60e4ed453cec463a53be0e7a01974f6f, en de alinea staat in dat document op bytes 11908 tot 13060.