Citaat | Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 juli 2013

Onder 21. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 juli 2013

Een alinea uit Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3418.

Op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 23 juni 2004 staat vast dat het nemen en handhaven van het voorbereidingsbesluit van 17 december 2001 jegens [appellant] onrechtmatig was. In deze uitspraak is geen beslissing genomen over de vraag of [appellant] hierdoor schade heeft geleden. [appellant] stelt dat hij (onder meer) renteschade heeft geleden. Hij had kopers voor zijn bouwkavels. Deze kopers zijn afgehaakt in verband met de onzekerheid of de gemeente gedurende de looptijd van het voorbereidingsbesluit met toepassing van art. 50 lid 4 Woningwet een bouwvergunning zou verlenen. Hierdoor zijn de koopovereenkomsten later tot stand gekomen dan zonder het voorbereidingsbesluit het geval zou zijn geweest. Naar het oordeel van het hof is eventueel hierdoor geleden (rente)schade – als daar al sprake van is – echter in overwegende mate het gevolg van eigen gedragingen van [appellant] en dient deze schade naar billijkheid voor zijn rekening te blijven, aldus dat de vergoedingsplicht van de gemeente geheel vervalt.. De gemeente heeft [appellant] immers op meerdere tijdstippen tijdens de looptijd van het voorbereidingsbesluit verzekerd dat zij art. 50 lid 4 Woningwet zou toepassen op bouwaanvragen van kopers van bouwkavels. Dit is niet alleen gebeurd in de brief van 2 januari 2002 (waarvan [appellant] de ontvangst heeft betwist), maar ook in de brief van 23 augustus 2002. In deze brief wordt verwezen naar een gesprek dat op 29 april 2012 heeft plaatsgevonden tussen [appellant] en de afdeling VROM van de gemeente over realisatie van bouwplannen op zijn bouwperceel. Als [appellant] toen concrete problemen ondervond als gevolg van het voorbereidingsbesluit (bijv. door het afhaken van kopers) dan had hij alle mogelijkheden gehad dit in dat gesprek aan te kaarten. Gelet op de inhoud van de brieven van 2 januari 2002 en van 23 augustus 2002 zou in dat geval de gemeente hem hebben verzekerd (en desgevraagd ook schriftelijk hebben bevestigd) dat ook zolang het voorbereidingsbesluit van kracht was bouwvergunningen konden worden verleend, met toepassing van art. 50 lid 4 Woningwet. [appellant] had potentiële kopers met deze (schriftelijke) verklaringen van de gemeente gerust kunnen stellen. Tegen deze achtergrond kan niet worden volgehouden dat [appellant] als gevolg van het voorbereidingsbesluit de door hem gesteld renteschade heeft geleden. [appellant] heeft voorts onvoldoende aannemelijke gemaakt dat hij anderszins schade heeft geleden. De grieven VII, XII, XIII, XIV en XV stuiten hierop af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f86b6bc81a0b8a9790306577ec47aa4422c3279342e88e1ec2096dc2cf856cb6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f86b6bc81a0b8a9790306577ec47aa4422c3279342e88e1ec2096dc2cf856cb6, en de alinea staat in dat document op bytes 57200 tot 59768.