Citaat | Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 april 2016

Alinea 102 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 april 2016

Een alinea uit Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1695.

Dat geldt des te meer nu niet is gebleken dat de verdachte op die bedreigingen is teruggekomen. Integendeel, de vastgestelde feiten en omstandigheden geven juist blijk van een verdere gedachtenvorming bij de verdachte daaromtrent. De verdachte heeft namelijk vijf dagen voor zijn aanhouding, dus op 5 september 2013, aan een goede vriend ( [I] ) gevraagd of hij hem in staat achtte om iemand te vermoorden. Bij het hof bestaat geen twijfel over het tijdstip waarop deze vraag is gesteld. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij die vraag heeft gesteld op de dag dat hij [S] om het leven heeft gebracht, maar ook die verklaring verdient geen geloof. Het hof overweegt in dat verband dat [I] in zijn verklaring tot tweemaal toe uitdrukkelijk heeft gesteld dat de verdachte de vraag vijf dagen voor zijn aanhouding heeft gesteld. De tweede keer heeft hij dat met een specifiek detail in verband gebracht: de verdachte droeg die bewuste dag zijn groene sweater met capuchon. Die context past niet bij het tijdstip dat de verdachte heeft genoemd. De verdachte heeft zich na het doden van [S] immers ontdaan van de groene sweater; hij heeft deze dus in geen geval gedragen bij het bezoek dat hij later die dag aan [I] heeft gebracht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc93395d39f49045a1d9e693cbc968d00b0bda9700127ecaaeb35280342fc4ad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc93395d39f49045a1d9e693cbc968d00b0bda9700127ecaaeb35280342fc4ad, en de alinea staat in dat document op bytes 53643 tot 54891.