Citaat | Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 april 2016

Alinea 45 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 april 2016

Een alinea uit Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1695.

Een andere buurtbewoner, [F] , heeft nog meer van de toedracht waargenomen. Toen zij in de vroege ochtend van haar nachtdienst thuiskwam, werd haar aandacht getrokken door de man die later [S] heeft neergestoken. De verklaringen die zij diezelfde dag heeft afgelegd, eerst direct na het gebeuren op de plaats van het delict en vervolgens in de avond op het politiebureau, geven de gang van zaken als volgt chronologisch weer: “Ik ben om 07:10 uur weggegaan vanaf mijn werk. […] Ik weet […] dat ik voor vijf voor half 8 thuis was […].” “Toen ik kwam aanfietsen in de straat, [straat 1] , zag ik een man ter hoogte van huisnummer 32 staan. Deze man viel mij op, omdat de man met zijn bovenlichaam over de kliko van nummer 32 […] hing. […] Ik liep vervolgens met mijn fiets naar de brandgang […], richting mijn schuur. Ik keek, terwijl ik mijn fiets wilde wegzetten, nog een keer naar de man. De man trok mijn aandacht, omdat ik wist dat de laatste tijd [in de buurt] […] [veel] fietsen [worden weggenomen] en veel ruiten worden ingegooid. […] Ik heb vervolgens mijn schuurtje verlaten en zag nog steeds diezelfde man staan bij de kliko aan de overkant van de weg. Ik zag dat de man nerveus om zich heen keek. Ik zag dat de man continu aan zijn capuchon [van zijn groene trui] trok om zijn gezicht te bedekken. Nadat ik de brandgang had verlaten, liep ik naar mijn voordeur. […] Toen ik mijn sleutel in het sleutelgat stopte, keek ik nogmaals naar de man. Ik zag dat de man heel gefocust naar de brandgang bleef kijken. […] Ik zag dat de man [een tas bij zich droeg, die goed gevuld leek omdat die bol stond, en] dat de man met zijn linker hand continu in de opbergruimte [van die tas] zat. […] Ik ben vervolgens naar mijn kamer gegaan […], op de derde verdieping. […] Ik ben […] naar het raam gelopen, [dat] zicht had op de man op straat. […]” “Ik heb [foto’s van die jongen] gemaakt. […] Ik heb toen nog een stoel gepakt en ben voor het raam gaan zitten. […] Ik [heb daar zeker een kwartier] gezeten. […]” “Ik zag dat de man zich nog steeds op dezelfde plek bevond. […] Ik zag dat de man op een gegeven moment begon te knielen. Hij stond half achter het muurtje, dichtbij de kliko. Ik zag hierdoor alleen zijn hoofd nog. […] Ik […] liep richting mijn keuken. Vanuit mijn keuken had ik ook zicht op de man. […]” “Ik heb [daar] het een en ander opgeruimd en af en toe keek ik naar die [man] of hij er nog stond. Ik wilde was opvouwen en opeens hoorde ik een […] schreeuw. […]” “Hierop keek ik naar buiten en hoorde ik de man schreeuwen richting de brandgang. […] Ik liep naar beneden via de voordeur richting de brandgang. Toen ik de beneden bij de voordeur stond, zag ik […] dat het ijzeren toegangshek, richting de brandgang, open stond. […] De man [zag ik] richting de brandgang rennen.” “Ik hoorde die [man] schelden. […] Ik zag dat die [man] richting de brandgang [ging] […]. Dat is tevens de brandgang die ik gebruik als ik mijn fiets weg moet zetten […]. Ik zag dat die [man] […] overstak en [hoorde dat hij] schreeuwde in de richting van de brandgang. […] Ik hoorde hem kankerhoer en kankerwijf schreeuwen en volgens mij riep hij een naam, volgens mij klonk het als ‘Sa’. Dit schreeuwde hij een paar maal erg hard. […]” “Op het moment dat de man begon met rennen richting de brandgang, hoorde ik gegil vanuit de brandgang komen. Het gegil kan ik omschrijven als een noodkreet. Omdat ik het gegil zo eng vond, ben ik richting de brandgang gerend. Ik zag dat de man met zijn rechter hand een groot mes tevoorschijn haalde. […]” “Die man [stond] voor de ingang […] [bij de poort] van de brandgang. Op dat moment [had] […] hij een mes in zijn rechter hand […]. Ik zag dat hij een voorwaartse stekende beweging maakte met zijn rechter hand. […]” “Ik zag dat de man de brandgang verder inliep richting een vrouw […]”. “Ik ben toen […] [verder] naar de brandgang [gelopen], [naar] […] waar de poort sluit. Ik had volledig zicht op de hele brandgang. […] Ik keek in de brandgang, terwijl ik een beetje om het hoekje stond. Ik zag een meisje staan, voorovergebogen […]. Ik zag dat ze haar armen gekruist voor haar buik had. Ik zag dat de jongen haar duwde. […] Ik schat dat ik op 4 of 5 stappen van hem af stond. […] Ik zag dat hij met zijn linker onderarm duwde. […] Ik zag dat het meisje […] in elkaar zakte. Ik zag dat zij viel en in een soort foetushouding ging liggen met haar gezicht in mijn richting. Ik zag dat zij draaide met haar ogen en ik hoorde haar schreeuwen om hulp. Ik zag dat zij met haar hoofd op haar schouder lag […]. Ik zag haar armen nog steeds gekruist voor haar buik en haar benen had zij opgetrokken. […] Ik zag dat hij toen drie, bovenhandse, stekende bewegingen maakte. […] Ik zag zijn rechter hand driemaal boven zijn hoofd uitkomen en hij stond een beetje voorovergebogen.” “Op dat moment wist ik niet hoe snel ik moest wegkomen, omdat ik zo geschrokken was. Ik zag overal bloed liggen rondom het slachtoffer. Ik zag ook veel bloed bij de man op zijn groene trui zitten. […] Ik ben […] richting mijn voordeur gerend. Op het moment dat ik bij mijn voordeur stond, zag ik de man met een normale looppas weglopen richting de Hendrik Frederiklaan.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc93395d39f49045a1d9e693cbc968d00b0bda9700127ecaaeb35280342fc4ad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc93395d39f49045a1d9e693cbc968d00b0bda9700127ecaaeb35280342fc4ad, en de alinea staat in dat document op bytes 19370 tot 25942.