Citaat | Hoge Raad 8 januari 1917

Alinea 9 Hoge Raad 8 januari 1917

Een alinea uit Hoge Raad 8 januari 1917, ECLI:NL:HR:1917:13.

Overwegende betreffende het eerste middel: dat door de vermelding bij dagvaarding dat requirant de sub 1° bedoelde handelingen heeft gepleegd "met het voornemen" om een horloge met ketting, aan [slachtoffer] toebehoorende, weg te nemen en zich die goederen wederrechtelijk toe te eigenen, hetgeen blijkens het zinsverband wil zeggen, dat bij die handelingen het wegnemen en zich toeëigenen dier goederen, requirants doel was, het door artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht vereischte oogmerk voldoende is uitgedrukt; dat dit middel dus ongegrond is; Overwegende dat het tweede cassatiemiddel afstuit hierop, dat uit de in het vonnis opgenomen getuigenverklaringen van Austeriezer – dat hij op tijd en plaats, als bij dagvaarding vermeld, te midden van een menigte menschen zijnde eensklaps aan zijn vest voelde krabbelen ter plaatse, waar zijn gouden horloge en ketting zich bevonden; dat hij een hand op die plaats zag, die vastgreep en zag dat zijn ketting uit het knoopsgat van zijn vest los was, wat te voren niet het geval was, dat die hand was de hand van requirant, die vlak voor hem stond; – en van getuige [naam] dat ten tijde en ter plaatse voormeld Austeriezer en requirant uit de menigte bij hem kwamen en dat de horlogeketting van eerstgenoemde toen los was van het knoopsgat van het vest en aan het horloge hing, – de Rechtbank het bewijs der in het middel genoemde handeling van requirant heeft kunnen afleiden, terwijl de vraag, of zij zulks terecht heeft gedaan, in cassatie niet kan worden onderzocht, Overwegende dat het derde middel, waarin blijkbaar in plaats van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht artikel 41 van dat Wetboek moet worden gelezen, niet tot cassatie kan leiden, omdat van een door requirant gedaan beroep op noodweer niet blijkt, en met name als zoodanig niet kan gelden requirants bewering de mishandeling te hebben gepleegd in drift, veroorzaakt doordat Austeriezer hem voor dief uitschold, daar die handeling van Austeriezer niet is een aanranding van requirants lijf, goed of eerbaarheid; Overwegende betreffende het vierde cassatiemiddel: dat onder zwaar lichamelijk letsel, naast de in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk genoemde gevallen, is te verstaan zoodanig letsel, hetwelk hetzij een blijvend ernstig gevolg, hetzij een zeer belangrijk lichamelijk nadeel medebrengt; dat bij dagvaarding is gesteld, dat de slag, door requirant aan Austeriezer tegen den mond toegebracht, het verlies van eene tand tengevolge heeft gehad; dat nu zoodanig verlies, – tenzij dan bij zeer bijzondere omstandigheden, waarvan ten deze niet gebleken is – ook met het oog op de tandheelkundige techniek niet is een letsel met zoodanig gevolg, dat het als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt; dat de Rechtbank door desniettemin het sub 2° ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit als mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende, te qualificeeren en het Hof, door het vonnis te dien aanzien te bevestigen, het tweede lid van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht in verband met artikel 82 van dat Wetboek hebben geschonden; Overwegende dat het vijfde cassatiemiddel buiten beschouwing kan blijven, daar het, blijkens de toelichting, slechts is voorgesteld voor het geval dat requirant wegens één der beide ten laste gelegde feiten niet zou kunnen worden gestraft, hetgeen ten deze niet het geval is;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a33967fbc247966358ec00843856783bc65eba224177fc931954f84f4b1bb977. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a33967fbc247966358ec00843856783bc65eba224177fc931954f84f4b1bb977, en de alinea staat in dat document op bytes 11366 tot 15160.