Citaat | Hoge Raad 31 december 1920
Alinea 17 Hoge Raad 31 december 1920
Een alinea uit Hoge Raad 31 december 1920, ECLI:NL:HR:1920:91.
Overwegende dat blijkens het bestreden arrest en het daarin, voor wat de feiten betreft, overgenomene uit de vonnissen der Arrondissements-Rechtbank te Maastricht van 25 Februari 1915 en 23 Mei 1918 de verweerders in cassatie, de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot Exploitatie van Limburgsche Steenkolenmijnen, thans eischeres in cassatie, hebben aangesproken tot schadevergoeding, omdat hun kasteel Strijthagen c.a. verzakt is en schade geleden heeft tengevolge van de exploitatie van de mijn Carl, waarvoor zij de genoemde Naamlooze Vennootschap aansprakelijk stellen, op grond, zoowel van de Mijnwet van 21 April 1810 als van de artikelen 1401- 1403 van het Burgerlijk Wetboek, vermits de Naamlooze Vennootschap die exploitatie onrechtmatig, althans onvoorzichtig gedreven heeft;
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e77171d2297b13bc3ed5bf302da23af5069927f82658e843c504bcbeffea6d3b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e77171d2297b13bc3ed5bf302da23af5069927f82658e843c504bcbeffea6d3b, en de alinea staat in dat document op bytes 5681 tot 6481.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e77171d2297b13bc3ed5bf302da23af5069927f82658e843c504bcbeffea6d3b | shasum -a 256