Citaat | Hoge Raad 1 november 1929

Alinea 35 Hoge Raad 1 november 1929

Een alinea uit Hoge Raad 1 november 1929, ECLI:NL:HR:1929:136.

dat toch zoodra eene overeenkomst als hierboven bedoeld, waarbij de verkooper aan den kooper overdraagt zijn uit de pandovereenkomst voortspruitend recht op afgifte der verpande zaak, aan den pandhouder is beteekend, het dezen niet meer vrijstaat, die zaak aan den pandgever af te geven, doch hij jegens den kooper verplicht is aan dezen de zaak uit te leveren, maar dan ook aanvangt vóór dezen te bezitten, en dat dit niet anders wordt, indien de schuld, waarvoor de zaak in pand is gegeven, nog niet is voldaan, omdat ook dan de pandhouder, na de beteekening der overdracht de zaak niet meer mag uitleveren aan den pandgever, doch haar aan den kooper moet afgeven, zij het niet dan na voldoening der schuld, en door dientengevolge te bekrachtigen het vonnis der Rechtbank van 15 Januari 1926, beslissende dat de levering van de aandeelen heeft plaats gehad door de beteekening van de koopakten en geïntimeerden dus daarvan eigenaars waren, en voor recht verklarende dat geïntimeerden zijn te erkennen als aandeelhouders in de naamlooze vennootschap ‘’[A]", gevestigd te Amsterdam, zulks terwijl:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d018309a9747c4b1f6312f52921367ca422fce92535dba2d11da17fbc735e535. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d018309a9747c4b1f6312f52921367ca422fce92535dba2d11da17fbc735e535, en de alinea staat in dat document op bytes 11356 tot 12475.