Citaat | Hoge Raad 5 februari 1930

Alinea 9 Hoge Raad 5 februari 1930

Een alinea uit Hoge Raad 5 februari 1930, ECLI:NL:HR:1930:351.

dat belanghebbende tegen dezen aanslag is opgekomen bij den Raad van Beroep voornoemd, bewerende, dat hij inderdaad had nagelaten om bij zijne aangifte rekening te houden met een bedrag van f 462 .- , zijnde de rente van het in zijn zaak gestoken moederlijk erfdeel zijner kinderen uit het eerste huwelijk, waarvan hij het vruchtgenot heeft alsmede van de bij het huwelijk met zijne tweede echtgenoote door deze ingebrachte gelden, doch dat zijn zuiver inkomen toch niet grooter is geweest dan f 3495 .- , zijnde het door hem aangegeven bedrag van f 3189 .- , vermeerderd met bedoelde f 462 .- , doch verminderd met f 156 .- voor eene door hem aan zijne moeder verschuldigde uitkeering;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/91ca73dc2b5b71fbd19263abfd2d32b80e8202b8bc4a12b7706b6e0fb161beff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 91ca73dc2b5b71fbd19263abfd2d32b80e8202b8bc4a12b7706b6e0fb161beff, en de alinea staat in dat document op bytes 4973 tot 5673.