Citaat | Hoge Raad 12 juni 1936

Alinea 52 Hoge Raad 12 juni 1936

Een alinea uit Hoge Raad 12 juni 1936, ECLI:NL:HR:1936:100.

doordat het Hof het door eischers in cassatie aangevoerd bezwaar, dat de oproepingsformaliteiten, bedoeld in de eerste alinea van artikel 5 der eerstgenoemde Wet, niet behoorlijk zijn in acht genomen, daar de President heeft bepaald, dat bij de oproeping een termijn van een maand in acht genomen moest worden en de tweede vergadering op een korteren termijn is opgeroepen, heeft verworpen en diensvolgens (na ongegrondbevinding van de wijders door eischers gevoerde verweren) de door verweerster ingestelde vordering heeft toegewezen, zulks uit overweging, dat voorzegd bezwaar afstuit op de bijzondere bepaling van artikel 5,2e lid van gezegde Wet, blijkende uit de overgelegde processen-verbaal, dat door den leider der vergadering van 12 Juli 1935 de tweede vergadering is bepaald op 29 Juli 1935, derhalve binnen den wettelijken termijn voor een tweede vergadering,

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8533ae3c84f6177fea2ac61450f7c74a7a62bce41c34a9908e11d8144266e73. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8533ae3c84f6177fea2ac61450f7c74a7a62bce41c34a9908e11d8144266e73, en de alinea staat in dat document op bytes 20760 tot 21644.