Citaat | Hoge Raad 17 december 1936

Alinea 11 Hoge Raad 17 december 1936

Een alinea uit Hoge Raad 17 december 1936, ECLI:NL:HR:1936:60.

dat verweerster, tengevolge van cessie getreden in de rechten van [betrokkene 1] , voor de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage, onder het leggen van conservatoir derden arrest, van eischer heeft gevorderd voldoening van twee bedragen, zoomede van 1/7 van een derde bedrag, door [betrokkene 1] onverschuldigd betaald onderscheidenlijk aan eischer en aan een thans overleden broeder van hen beiden, in wiens nalatenschap eischer voor een gedeelte als voormeld gerechtigd is; - dat verweerster daarbij heeft gesteld: dat, bij de scheiding en deeling van de nalatenschap van den vader van [betrokkene 1] , aan dezen, destijds nog minderjarig, is toegescheiden een bouwmanswoning met landerijen; dat deze [betrokkene 1] , korten tijd nadat hij meerderjarig was geworden, zich bij notarieele acte heeft verbonden, zijn broeders en zusters en, bij vooroverlijden van dezen, hunne wettelijke nakomelingen te doen deelen in de winsten, die hij eventueel bij geheelen of gedeeltelijken verkoop van voornoemd onroerend goed zou maken; dat [betrokkene 1] in 1904 en in 1922 gedeelten van het goed met winst heeft verkocht en toen, in de meening dat hij door de bij de acte gedane toezegging verbonden was, aan eischer en aan wijlen zijn voormelden broeder de evengenoemde bedragen heeft uitgekeerd; dat hem later gebleken is, dat de verbintenis, krachtens welke hij had betaald, nietig en van onwaarde was en hij daarom bij een lateren verkoop geweigerd heeft eenig bedrag aan zijn broeders en zusters uit te keeren; dat eenigen van dezen toen hun aandeel in rechte hebben opgevorderd, doch deze vorderingen bij arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 December 1929 en 26 April 1934 zijn ontzegd; - dat eischer zich tegen genoemde vordering op verschillende gronden, waaronder die, vermeld bij het middel, heeft verweerd en, naar aanleiding van het gelegd derde-arrest, een vordering in reconventie heeft ingesteld, waarna de Rechtbank bij vonnis van 28 Mei 1935 de vordering in conventie heeft toegewezen en die in reconventie heeft ontzegd ;- dat in hooger beroep eischer tegen het vonnis der Rechtbank als grieven, voor zoover thans van belang, heeft aangevoerd: 1o.dat de vordering is toegewezen, hoewel door verweerster niet, althans niet met wettelijke beroepsmiddelen was bewezen, dat [betrokkene 1] onverschuldigd heeft betaald, en 2o. dat aangenomen, dat eischer voor en aleer verweerster hare posita heeft bewezen, gehouden is zijne stellingen te bewijzen, de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat de schuld, welke volgens eischer door de onderhavige betaling gekweten was, niet bestond; - dat vervolgens met Hof het vonnis der Rechtbank, onder aanvulling der gronden, zoowel in conventie als in reconventie heeft bekrachtigd, waarbij het Hof de beide voormelde grieven tegelijkertijd heeft behandeld en verworpen, onder meer op de gronden in het middel vermeld;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/613d9d962444b3d36dcf08ba82871cb069eb2d0c30b5fd72b793bae1068d745a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 613d9d962444b3d36dcf08ba82871cb069eb2d0c30b5fd72b793bae1068d745a, en de alinea staat in dat document op bytes 5240 tot 8140.