Citaat | Hoge Raad 3 mei 1946

Alinea 17 Hoge Raad 3 mei 1946

Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 1946, ECLI:NL:HR:1946:4.

‘’dat de Staat zijne desbetreffende stelling van de conclusie van eisch bij memorie van grieven aldus heeft geformuleerd: ‘’dat in de tusschen den Staat en [A] gesloten overeenkomst, welke hij heeft geproduceerd, was bepaald, dat, indien de wijze van uitvoering, waarop ten tijde van de aanbesteding kon en mocht worden gerekend, tengevolge van den oorlogstoestand geen toepassing meer zou kunnen vinden en hierop redelijkerwijze niet behoefde te worden gerekend, de aannemer eene vergoeding van 85% of meer in de hoogere kosten zou ontvangen; dat door de vervulling van deze voorwaarde — daar immers kurkschalen eind Maart 1941 niet meer verkrijgbaar waren en [A] op wanpraestatie door [verweerder] niet behoefde te rekenen — de Staat verplicht was ten minste 85% van de hoogere kosten aan [A] te vergoeden; dat [verweerder] als aannemer wist of kon weten, dat de Staat door zijn optreden schade moest lijden en [verweerder] den Staat daardoor rechtstreeks in zijn belangen heeft geschaad; dat [verweerder] zich buitendien onrechtmatig heeft verrijkt door de kurkschalen aan een derde te verkoopen voor een hoogeren prijs, welke verrijking onrechtmatig was ten opzichte van den Staat, omdat [verweerder] kon voorzien, dat dit geschiedde ten koste van den Staat en dit in strijd is met de betamelijkheid in het maatschappelijk verkeer;’’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b0152cbc4ee0536a2e46bbfb37443f6eec28a03f8a94f8648201ef82061e7ce5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b0152cbc4ee0536a2e46bbfb37443f6eec28a03f8a94f8648201ef82061e7ce5, en de alinea staat in dat document op bytes 8377 tot 9743.