Citaat | Hoge Raad 3 mei 1946
Alinea 31 Hoge Raad 3 mei 1946
Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 1946, ECLI:NL:HR:1946:4.
dat, bij de voormelde wetenschap (die [verweerder] had of behoorde te hebben), de omstandigheid dat hij de bedoelde contractueele verplichting jegens [A] had aanvaard, in verband met het feit, dat de niet-nakoming daarvan de voorwaarde verwezenlijkte voor een verplichting, welke de Staat jegens [A] had op zich genomen, tot eene vergoeding wegens de hoogere uitvoeringskosten door de wanpraestatie veroorzaakt, voor [verweerder] — naar den maatstaf eener in het verkeer betamende zorgvuldigheid tegenover de betrokken belangen van den Staat — den plicht medebracht, zooal niet om zich van opzettelijke wanpraestatie te onthouden, dan toch zeker om, indien hij desbewust contractbreuk pleegde teneinde een voor hem voordeeliger transactie met een ander mogelijk te maken, de aldus aan den Staat berokkende schade voor zijn rekening te nemen;
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b0152cbc4ee0536a2e46bbfb37443f6eec28a03f8a94f8648201ef82061e7ce5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b0152cbc4ee0536a2e46bbfb37443f6eec28a03f8a94f8648201ef82061e7ce5, en de alinea staat in dat document op bytes 15893 tot 16751.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b0152cbc4ee0536a2e46bbfb37443f6eec28a03f8a94f8648201ef82061e7ce5 | shasum -a 256