Citaat | Hoge Raad 1 juni 1948

Alinea 12 Hoge Raad 1 juni 1948

Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 1948, ECLI:NL:HR:1948:113.

Overwegende dat bij het bevestigde vonnis, met qualificatie en strafoplegging als voormeld, ten laste van requirante is bewezen verklaard dat zij te ‘s-Gravenhage op 15 November 1946 in het Gerechtsgebouw aldaar door de Edelachtbare Heer Rechter-Commissaris ter zitting gehoord als getuige in de civielrechtelijke zaak tussen […] , eiseres, tegen […] , gedaagde, zijnde dit een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, althans daaraan rechtsgevolgen verbindt na, naar de wijze voorgeschreven bij de Wet van 17 Juli 1911 Staatsblad no. 216 de eed te hebben afgelegd, dat zij als getuige de gehele waarheid en niets dan de waarheid zou zeggen, mondeling persoonlijk opzettelijk de navolgende verklaring heeft afgelegd:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f, en de alinea staat in dat document op bytes 8021 tot 8788.