Citaat | Hoge Raad 1 juni 1948
Alinea 13 Hoge Raad 1 juni 1948
Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 1948, ECLI:NL:HR:1948:113.
‘’Indertijd in 1945 had ik kennis gemaakt met gedaagde; ik woonde toen op een kabinet bij getuige [getuige 1] . Op dat kabinet huisde ik en sliep ik. Enige malen is gedaagde daar bij me geweest, ook op mijn kabinet, waar hij mij hielp met Frans en Engels. De man van getuige [getuige 1] wilde echter liever niet dat ik herenbezoek ontving en daarom kon gedaagde de keren dat hij bij me kwam niet lang blijven. Ik betwist dat hij ooit een nacht bij mij gebleven is en het is dus niet mogelijk dat hij ‘s morgens uit mijn kabinet gekomen is. Indien getuige [getuige 1] dit verklaart, is dat onwaarheid; ik betwist destijds of nu of wanneer ook een verhouding van meer intiemen aard met gedaagde gehad te hebben of te hebben. Hij is niet meer dan een gewone kennis van me en ik blijf er bij dat gedaagde nimmer een nacht bij mij is overgebleven. Wat de getuige verklaart over een kopje thee dat door mij op bed zou zijn gebracht, dit heeft betrekking op een Engelsman, met wie ik destijds een verhouding heb gehad; ik betwist dat getuige [getuige 2] gedaagde ‘s morgens ooit te mijnent heeft gezien".
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f, en de alinea staat in dat document op bytes 8794 tot 9912.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f | shasum -a 256