Citaat | Hoge Raad 1 juni 1948
Alinea 20 Hoge Raad 1 juni 1948
Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 1948, ECLI:NL:HR:1948:113.
dat toch de inleidende dagvaarding, welke eenzelfden inhoud heeft als de bewezenverklaring, behoudens dat de laatste zinsnede daarvan luidt: ‘’zulks hoewel zij wist dat de aldus afgelegde verklaring geheel, althans voor een belangrijk gedeelte vals en in strijd met de waarheid was" voor requirante een voldoende duidelijke opgave van het telaste gelegde feit bevat, zodat zij zich tegen de aanklacht dan ook naar behoren vermocht te verdedigen, nu haar getuigenverklaring onder ede werd afgelegd in een civielrechtelijke zaak welke, zoals requirantes opgave ter terechtzitting in de strafzaak inhoudt, betrof een echtscheidings-procedure tussen de echtelieden […] en […] , in verband waarmede het requirante voldoende duidelijk kon zijn in welk opzicht haar opzet ten aanzien van de valsheid en onwaarheid van hetgeen zij als getuige had verklaard werd telaste gelegd;
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f, en de alinea staat in dat document op bytes 10653 tot 11543.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fa8a871986694a4ac28c451428042d358f23f413b96704c9422cda8757fbf55f | shasum -a 256