Citaat | Hoge Raad 4 februari 1949

Alinea 26 Hoge Raad 4 februari 1949

Een alinea uit Hoge Raad 4 februari 1949, ECLI:NL:HR:1949:149.

Overwegende dat het Hof bij het bestreden arrest de voormelde grieven ongegrond heeft geoordeeld, daarbij onder meer overwegende: dat Waaning bij zijn toelichting op de eerste grief kennelijk mede een beroep op acquisitieve verjaring doet, wanneer hij beweert, dat de Heren Waaning gedurende een tijdsverloop van veel langer dan 30 jaar ongestoord hun firmanaam deden voeren; dat echter de door hem gepretendeerde rechten niet vallen onder die in artikel 2000 van het Burgerlijk Wetboek genoemd, zodat dit beroep faalt, hebbende hij trouwens bij pleidooi zelve uitdrukkelijk verklaard, dat hij zich niet op enig door verjaring verkregen recht wil beroepen; dat voor wat aangaat zijn bewering, dat van Dobbens actie in 1927 zou zijn verjaard, nu sedert 1897 meer dan 30 jaren zijn voorbijgegaan zonder dat de verjaring gestuit werd, het Hof de overweging van de Rechtbank onderschrijft, dat iedere daad van oneerlijke mededinging jegens van Dobben een vorderingsrecht met een eigen 30-jarigen verjaringstermijn zou doen ontstaan en van verjaring dezer rechten in casu ook daarom geen sprake is, omdat van Dobben zijn aanspraken grondt op daden door Waaning sedert 1937 gepleegd; dat Waaning in verband met de tweede grief er op wijst, dat van Dobben sedert het jaar 1897 tot in 1944 heeft stilgezeten en in de tussen partijen in 1923 en 1927 gevoerde nietigheidsprocedure betreffende het door Waanings rechtsvoorgangers ingeschreven z.g. ‘’Duifmerk" zijdens van Dobben niet is gerept over diens eventuele bezwaren tegen den firmanaam Gebrs. Waaning Tilly, hoewel deze naam op het Duifmerk voorkwam, terwijl voorts van Dobben niet is opgekomen tegen het 15 jaar lang gebruiken van de initialen G.W.T. op het na dit proces in opdracht van Waanings rechtsvoorgangers ontworpen nieuwe merk; dat alleen dan van rechtverwerking gesproken kan worden, wanneer bij een uitdrukkelijke of stilzwijgende wilsverklaring afstand van recht gedaan wordt, doch een dergelijke stilzwijgende wilsverklaring, een uitdrukkelijke wordt niet beweerd, in casu uit van Dobbens houding niet is af te leiden; dat toch Waaning niet weerspreekt, dat van Dobben in de loop der jaren tegen verscheidene door dezen met name genoemde concurrenten in rechten is opgetreden en van Dobben er terecht de aandacht op vestigt, dat in verband met de invoering van de Handelsnaamwet in 1921 en de sedert 1919 ontstane jurisprudentie op artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek zich eerst sedert dien de mogelijkheid van met succes procederen over den handelsnaam voordeed, terwijl de aangevochten merken, welke Waaning gebruikt, van 1929 dateren; dat derhalve in het feit, dat van Dobben om voormelde redenen Waaning niet voor 1944 aansprak, geen afstand doen, en zeker geen ondubbelzinnig afstand doen, van zijn rechten gezien mag worden, waarbij nog zij opgemerkt, dat niet weersproken is, dat van Dobben gedurende den oorlog geen stappen kon ondernemen, waar zijn Verwalter zich daartegen verzette; dat Waaning nog meent, dat de actie van van Dobben in strijd met de zorgvuldigheid zou zijn, welke van Dobben na een zolang tijdsverloop had in acht te nemen ten opzichte van Waanings belangrijke economische belangen, doch hij, wanneer komt vast te staan, dat zijn mededingen oneerlijk was, zelf het risico van zijn handelen heeft te dragen en voorts niet vergeten mag worden, dat van Dobbens stilzitten economisch ten voordele van Waaning heeft gewerkt;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb7ff5eb6468ea7c477b4d7e6789452efd939f7962e4f46a3fe6a844f0c7f607. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb7ff5eb6468ea7c477b4d7e6789452efd939f7962e4f46a3fe6a844f0c7f607, en de alinea staat in dat document op bytes 14567 tot 17997.