Citaat | Hoge Raad 19 juni 1956

Alinea 18 Hoge Raad 19 juni 1956

Een alinea uit Hoge Raad 19 juni 1956, ECLI:NL:HR:1956:49.

A. het proces-verbaal der terechtzitting in eersten aanleg van 10 October 1955, voorzover inhoudende als opgave van de nemen dosverdachte : " In 1943 is [minderjarige] ( [minderjarige] , geboren 21 November 1940) in huis gekomen bij mijn zusters [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ), [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ) en mij in het door deze zusters en mij geëxploiteerde rusthuis te [plaats] . Ik heb mij sindsdien met deze zusters voor haar opvoeding verantwoordelijk gevoeld. Wat de opvoeding van [minderjarige] betrof bestond er tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en mij een samenwerking, waarbij de rol van [betrokkene 1] het beste met die van een moeder en mijn rol het beste met die van een vader vergeleken kon worden. Na de oorlog nam [betrokkene 1] de feitelijke verzorging van [minderjarige] voor haar rekening, terwijl ik het naar buiten toe - onder meer tegenover de autoriteiten en instanties, die [minderjarige] aan ons wilden onttrekken voor haar opnam. Op 21 Juli 1947 is getuige [getuige] te [plaats] bij mij gekomen. Hij vorderde [minderjarige] toen van mij op. Ik weigerde echter aan deze vordering te voldoen."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eaba58ccf4b72a4d7f431def00d9b674fcea3732b53e9c0dec237ae66c91334b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eaba58ccf4b72a4d7f431def00d9b674fcea3732b53e9c0dec237ae66c91334b, en de alinea staat in dat document op bytes 9311 tot 10458.