Citaat | Hoge Raad 13 mei 1958
Alinea 146 Hoge Raad 13 mei 1958
Een alinea uit Hoge Raad 13 mei 1958, ECLI:NL:HR:1958:72.
Op 25 Augustus 1956 ontmoetten [betrokkene 2] en ik de verdachte [medeverdachte] op de [c-straat] , waarna wij met hem naar de woning van [slachtoffer] gingen, waar hij de deur opende. Het was toen omstreeks half negen. Daarna ging hij met medeneming van de sleutel weer weg terwijl [betrokkene 2] en ik naar binnen gingen, maar omdat er nog stemmen te horen waren in de werkplaats van [slachtoffer] , waaruit wij opmaakten dat deze daar nog was, gingen wij weer weg. [medeverdachte] had mij eerder al verteld, dat [slachtoffer] altijd veel geld bij zich had, dat hij des nachts onder zijn hoofdkussen bewaarde en wij zouden dus op dat ogenblik geen geld op de slaapkamer vinden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e18ecf7390ee225f0c040672cc426f739e3fbd98744d984f3a69c8d30854cb77. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e18ecf7390ee225f0c040672cc426f739e3fbd98744d984f3a69c8d30854cb77, en de alinea staat in dat document op bytes 56937 tot 57629.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e18ecf7390ee225f0c040672cc426f739e3fbd98744d984f3a69c8d30854cb77 | shasum -a 256