Citaat | Hoge Raad 13 mei 1958
Alinea 152 Hoge Raad 13 mei 1958
Een alinea uit Hoge Raad 13 mei 1958, ECLI:NL:HR:1958:72.
Op een avond in Augustus 1956 ontmoette ik met [betrokkene 1] de verdachten bij café [A] te [plaats] en ik zag toen, dat [medeverdachte] de thans als stuk van overtuiging hier aanwezige revolver aan [betrokkene 1] overhandigde, die de revolver bij zich stak, [requirante] was daarbij. De revolver, waarvan [betrokkene 1] mij later zei, dat [requirante] die gekocht had en waar 7 scherpe patronen bij waren, was naar hij zeide bestemd om [slachtoffer] van kant te maken. Omdat ik van [requirante] zoals ik tegen [betrokkene 1] gezegd had, zelf wilde vernemen dat wij na de moord op [slachtoffer] ieder f. 20.000, -- zouden krijgen, is die avond met haar afgesproken dat wij haar de volgende dag, Zondag 19 Augustus 1956, zouden ontmoeten en des Zondagsmorgens zijn [betrokkene 1] en ik met [requirante] naar café [B] aan de [a-straat] te [plaats] gegaan, waar ik haar heb gevraagd, of wij wanneer de moord op haar man doorging, ieder f. 20.000, -- zouden krijgen, waarop zij dat bevestigde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e18ecf7390ee225f0c040672cc426f739e3fbd98744d984f3a69c8d30854cb77. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e18ecf7390ee225f0c040672cc426f739e3fbd98744d984f3a69c8d30854cb77, en de alinea staat in dat document op bytes 60155 tot 61159.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e18ecf7390ee225f0c040672cc426f739e3fbd98744d984f3a69c8d30854cb77 | shasum -a 256