Citaat | Hoge Raad 4 november 1959

Alinea 19 Hoge Raad 4 november 1959

Een alinea uit Hoge Raad 4 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:174.

waartegenover de Ontvanger in appèl het standpunt inneemt, dat als aanvangstijdstippen slechts kunnen gelden die genoemd in art. 11 Invorderingswet en hiervan in casu slechts „„„,de laatst betekende akte van vervolging"" in aanmerking komt, dat de akten van vervolging alleen van den ontvanger kunnen uitgaan en niet van den Inspecteur en dat ten aanzien van den voorlopigen aanslag - om welker invordering het thans gaat - de enige daad van vervolging jegens [X] bestaat in de betekening van het litigieuse dwangbevel op 16 Jan. 1956, terwijl de Ontvanger verder betoogt, dat de voorlopige aanslag zelve op dit tijdstip nog niet verjaard was;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9, en de alinea staat in dat document op bytes 9268 tot 9932.