Citaat | Hoge Raad 4 november 1959

Alinea 26 Hoge Raad 4 november 1959

Een alinea uit Hoge Raad 4 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:174.

5) dat de Ontvanger de verjaring dezer schuld gestuit acht door zijn op 7 Jan. 1950 ingevolge art. 7 der invorderingswet aan de verzekeringmaatschappij Eerste Nederlandsche te Dordrecht gedane en op 16 Jan. 1950 betekende vordering ten laste van de weduwe als erfgename van [A] voor den voorlopigen aanslag in de vermogensaanwasbelasting ten bedrage van ƒ 32,319, gevolgd door twee betalingen door die maatschappij op 2 Juli en 23 Aug. 1951 gedaan, resp. ƒ 11.899.12 en ƒ 544.40 ingevolge door de weduwe verstrekte opdrachten van 29 Jan. 1951 en 10 Aug. 1951;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9, en de alinea staat in dat document op bytes 11870 tot 12445.