Citaat | Hoge Raad 4 november 1959
Alinea 27 Hoge Raad 4 november 1959
Een alinea uit Hoge Raad 4 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:174.
6) dat niet duidelijk is welke betekenis de Ontvanger gehecht heeft willen zien aan een vermelding in zijn vordering, dat deze geschiedde ten laste van de weduwe als erfgename van [A] , doch dat zulks niet van belang is voor de beantwoording der vraag of de door hem gestelde feiten stuitende werking hebben gehad, daar deze vraag bevestigend moet worden beantwoord als vast komt te staan, dat genoemde betalingen ingevolge haar opdracht hebben plaats gehad en dat zij krachtens de wet als echtgenote van den belastingplichtige hoofdelijk aansprakelijk was voor den aanslag van [A] , omdat dan de betalingen en de opdrachten daartoe een erkenning van het bestaan van de schuld inhouden door iemand, die niet alleen erfgename was (wier aansprakelijkheid beperkt zou zijn), maar tevens hoofdelijke schuldenares van de gehele belastingschuld;
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9, en de alinea staat in dat document op bytes 12451 tot 13303.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9 | shasum -a 256