Citaat | Hoge Raad 4 november 1959

Alinea 31 Hoge Raad 4 november 1959

Een alinea uit Hoge Raad 4 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:174.

9) dat [X] de door den Ontvanger gestelde betalingen op de vermogensaanwas belastingschuld en de opdrachten daartoe door de weduwe ontkend heeft, doch dat uit een fotocopie van een door de weduwe ondertekende kwitantie, afgegeven aan de Eerste Nederlandsche van 29 Jan. 1951 betreffende f 2230 en de door den Ontvanger overgelegde brieven van de Eerste Nederlandsche van 17 Juli 1953 en 3 Juni 1955, van welke de eerste een bedrag van f 9975 betreft, voldoende blijkt, dat genoemde bedragen ingevolge opdrachten van de weduwe van vóór 30 Jan. 1951 en omstreeks 10 Aug. 1951 door de Eerste Nederlandsche aan den Ontvanger zijn overgemaakt, terwijl uit de betekening van de boven vermelde vordering het bewijs wordt geput, dat deze betalingen strekten tot voldoening van den litigieusen voorlopigen aanslag;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca2ea2fbc865fbce4c9894e0cfb7d529e02a09982d5f2bbf4832d46cb1e04de9, en de alinea staat in dat document op bytes 14479 tot 15299.