Citaat | Hoge Raad 9 december 1960

Alinea 35 Hoge Raad 9 december 1960

Een alinea uit Hoge Raad 9 december 1960, ECLI:NL:HR:1960:166.

‘’“Enkele dagen vóór 28 maart, — ik durf niet precies te zeggen op welke dag— ben ik bij de familie [betrokkene 1] aan huis ontboden. Men deelde mij mede, dat de toestand van [verweerder 2e] verergerd was. Ik heb hem thuis in bed aangetroffen en vond toen, dat hij in zeer ernstige mate geestelijk gestoord was. Zijn toestand was veel slechter geworden, sinds ik hem enkele dagen tevoren op mijn spreekuren had aangetroffen. Ik achtte hem toen volkomen ontoerekenbaar; in deze toestand kon alles met de jongen gebeuren: hij kon b.v. weglopen, of zich onder een trein werpen, brandstichten of jegens zich zelf of een, ander een agressieve daadstellen. Op Uw vraag of hij toen in een toestand verkeerde, dat hij niet kon beoordelen, of wat hij deed goed of kwaad was, antwoord ik, dat toen — naar mijn oordeel— zijn bewustzijn zodanig was vernauwd, dat hij dit niet kon beseffen.”’’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01a151b9a9be3ca1900033d1023cf71aab16cd7d97d36695fb839b8c00b12d43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01a151b9a9be3ca1900033d1023cf71aab16cd7d97d36695fb839b8c00b12d43, en de alinea staat in dat document op bytes 10458 tot 11373.