Citaat | Hoge Raad 9 december 1960

Alinea 41 Hoge Raad 9 december 1960

Een alinea uit Hoge Raad 9 december 1960, ECLI:NL:HR:1960:166.

‘’’’Op grond van wat ik zelf van het ongeval heb waargenomen, waarbij ik in het bijzonder vermeld, dat zijn toestand in genen dele verklaard kan worden uit of door het hersentrauma, er mede op gelet van wat ik van [betrokkene 3] en van [betrokkene 5] heb vernomen omtrent de toestand van de patiënt enkele dagen vóór het ongeval en vlak daarná kan ik opmaken met grote waarschijnlijkheid hoe de toestand van de patient was op het ogenblik dat hij met de auto ging rijden. Naar mijn mening was [verweerder 2e] op dat moment totaal niet in staat om zijn daad en de consequenties van deze daad te beoordelen. Hij moet gehandeld hebben in een toestand van bewustzijn-vernauwing, waarin elk realiteitsbesef geweken was. Zijn neiging tot ‘’joy-riding" is drangmatig opgekomen en kon geen enkele verstandelijke weerstand ontmoeten. Ik gebruik hier het woord ‘’drangmatig" omdat ik psychiatrisch gezien een aparte dwang onbewezen acht, hoewel niet uit te sluiten. Ik voeg daar echter aan toe, dat de drang zo sterk moet zijn geweest, dat hij de handeling niet kon laten.”’’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01a151b9a9be3ca1900033d1023cf71aab16cd7d97d36695fb839b8c00b12d43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01a151b9a9be3ca1900033d1023cf71aab16cd7d97d36695fb839b8c00b12d43, en de alinea staat in dat document op bytes 13659 tot 14763.