Citaat | Hoge Raad 18 februari 1966

Alinea 39 Hoge Raad 18 februari 1966

Een alinea uit Hoge Raad 18 februari 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4636.

‘’Uit het vorenstaande blijkt, dat de Rechtbank van oordeel is, dat tot op bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen, dat [betrokkene 1] de goederen die zich in de woning te [plaats] bevonden die hij met [verweerster] bewoonde, aan deze ten geschenke heeft gegeven. [eiseres] biedt aan tegenbewijs hiertegen te leveren, hierin bestaande dat [verweerster] na het overlijden van [betrokkene 1] heeft toegegeven dat niets in de woning te [plaats] die zij met hem gedeeld had, van haar was. Hiertoe zal zij moeten worden toegelaten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/07cb01b12543ab261c28ab0043367f88908f5ee6ef0bab63ba76d86f572a8aef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 07cb01b12543ab261c28ab0043367f88908f5ee6ef0bab63ba76d86f572a8aef, en de alinea staat in dat document op bytes 16348 tot 16900.