Citaat | Hoge Raad 27 december 1967
Alinea 51 Hoge Raad 27 december 1967
Een alinea uit Hoge Raad 27 december 1967, ECLI:NL:HR:1967:AX6049.
""Ad Ia. Bij de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de richtige heffing dient men zich steeds, wanneer onherroepelijk vaststaat dat er met de litigieuze rechtshandelingen voor de heffing van een bepaalde belasting geen rekening wordt gehouden, af te vragen welke rechtshandeling dan wel voor de heffing van die belasting heeft plaatsgevonden. Dit zal zijn naar mijn mening de rechtshandeling die wel voor de heffing van de desbetreffende belasting relevant kan zijn en het dichtst de bedoeling van de belastingplichtige benadert. De bedoeling van belanghebbende zou in het onderhavige geval het dichtst benaderd worden wanneer men ervan uit zou gaan dat de aandelen gebracht zijn in een bedrijfsvermogen. Gelet op de arresten van de Hoge Raad respectievelijk de dato 27 april 1960, nummer 14135, B.N.B. 1960/223 en de dato 25 januari 1961, nummer 14429, B.N.B. 1961/101 is alsdan belanghebbende gehouden het ontvangen dividend op de kostprijs van de aandelen af te boeken. Aangezien in dat geval de door belanghebbende ontvangen interest niet tot het inkomen gerekend zou behoeven te worden, zou zulks betekenen dat belanghebbende zijn inkomen tot een te hoog bedrag heeft aangegeven, waaruit volgt dat de toepassing van de richtige heffingsbepalingen voor de Administratie zonder zin is. Wanneer Uw Hof van oordeel zou zijn dat bij toepassing van de richtige heffingsbepaling niet de meest nabijliggende rechtshandeling moet geacht worden plaatsgevonden te hebben, doch zich op het standpunt zou stellen dat alsdan in het geheel niets gebeurd is, dan brengt zulks nog geen verandering in de bovenstaande conclusie teweeg. De Inspecteur legt namelijk in zijn 16e overweging een onmiddellijk verband tussen de oprichting van [A] N.V. en de verkoop van de aandelen [B] N.V. Wanneer men zich immers stelt op het standpunt van de Inspecteur, dan is inderdaad juist in het onderhavige geval de uitkering van de dividenden die vervolgens worden gebruikt voor aflossing op de vordering van belanghebbende op [A] N.V. essentieel. Dan dient echter ook voor de heffing van de inkomstenbelasting geen rekening te worden gehouden met het door [B] N.V. uitgekeerde dividend. Dat de toepassing van de richtige heffingsbepalingen voor belanghebbende grievend is moge blijken uit de navolgende woorden uitgesproken door Minister Colijn bij de behandeling in de Eerste Kamer van het ontwerp van de wet ter bevordering van de richtige heffing der directe belastingen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/556dc0903bc1608c1cac7016c745424ffe23973fd339d386e53a5dff35f693b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 556dc0903bc1608c1cac7016c745424ffe23973fd339d386e53a5dff35f693b5, en de alinea staat in dat document op bytes 21952 tot 24426.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/556dc0903bc1608c1cac7016c745424ffe23973fd339d386e53a5dff35f693b5 | shasum -a 256