Citaat | Hoge Raad 19 januari 1968
Alinea 32 Hoge Raad 19 januari 1968
Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB5254.
"dat vooreerst voormelde brieven van [A] d.d. 26 en 31 mei 1957 sterk de indruk wekken en [eiser] er bij pleidooi ook vanuit is gegaan, dat [A] het cognossement bij de bank heeft aangeboden ten einde uit het door de koper gestelde accreditief betaling van de koopprijs te verkrijgen ten behoeve van de verscheper-verkoper van de lading; dat blijkens die brieven het cognossement ten slotte door de bank is geaccepteerd en - naar mag worden aangenomen - via de bank in handen is gekomen van de als koper, dan wel aan de zijde van de koper optredende [verweerder]; dat voorts door [verweerder] een fotokopie van een charterparty is overgelegd, eveneens gedateerd Alexandrië 10 mei 1957, waaruit kan worden opgemaakt, dat [A] op haar beurt de Favoriet had ondervervracht aan [B] te Alexandrië; dat - gezien dit alles - niet aangenomen kan worden, dat [A] ooit voor [verweerder] zou zijn opgetreden;
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ef6ccee4656fcde1190034c5f039b3605bc8be51c2c45ce3e4583cf2b91a5d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ef6ccee4656fcde1190034c5f039b3605bc8be51c2c45ce3e4583cf2b91a5d5, en de alinea staat in dat document op bytes 14435 tot 15345.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1ef6ccee4656fcde1190034c5f039b3605bc8be51c2c45ce3e4583cf2b91a5d5 | shasum -a 256