Citaat | Hoge Raad 19 januari 1968

Alinea 44 Hoge Raad 19 januari 1968

Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB5254.

"Voorts staat vast, dat [A] de makelaar, die namens [eiser] optrad, bij brieven van 26 en 31 mei 1957 van de gang van zaken met de cognossementen op de hoogte heeft gebracht, en ook hierop geen enkel protest van de zijde van [eiser] is gevolgd. Tenslotte staat vast dat namens [eiser] de door de Favoriet vervoerde uien op het door [A] getekende cognossement aan de houder daarvan zijn uitgeleverd. Uit dit alles blijkt, dat zij die namens [eiser] optraden (en naar onbetwist is namens [eiser] mochten optreden) er van uitgingen, dat [A] bevoegd was als agent van [eiser] namens hem cognossementen te tekenen. [verweerder], die als cognossementhouder de uien uitgeleverd kreeg, mocht hierop afgaan en derhalve er van uitgaan, dat [eiser] door het cognossement was gebonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ef6ccee4656fcde1190034c5f039b3605bc8be51c2c45ce3e4583cf2b91a5d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ef6ccee4656fcde1190034c5f039b3605bc8be51c2c45ce3e4583cf2b91a5d5, en de alinea staat in dat document op bytes 18765 tot 19551.