Citaat | Hoge Raad 12 januari 1968

Alinea 90 Hoge Raad 12 januari 1968

Een alinea uit Hoge Raad 12 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC2286.

(4) omdat, nu vaststaat, dat [eiser 1] aan [verweerster 1] een hem in eigendom toebehorend certificaat Nillmij met een nominale waarde van ƒ 1.000,-- en [eiser 2] aan [verweerster 1] drie zodanige certificaten in open bewaring heeft gegeven, dat zich op 31 mei 1966 in de effectenvoorraad van [verweerster 1] vier certificaten Nillmij ter nominale waarde van ƒ 1.000,-- per stuk bevonden, dat buiten [eiser 1] en [eiser 2] geen andere cliënt van [verweerster 1] aanspraak kan maken op uitlevering van certificaten Nillmij, en nu, gelijk [eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld, de zich thans in de boedel bevindende vier certificaten Nillmij of wel de destijds door hen aan [verweerster 1] in open bewaring gegeven stukken zijn of wel stukken die door [verweerster 1] daarvoor in de plaats moesten worden en in de plaats zijn gesteld, zodat [verweerster 1] deze stukken voor [eiser 1] en [eiser 2] moest gaan houden, en nu [verweerster 1] na 1 januari 1966 verplicht was en is er voor te zorgen, dat te allen tijde de nummers van effecten, welke van de cliënten onder de bank zelf berusten, voor iedere cliënt afzonderlijk vaststaan, en nu [verweerster 1] in verband met haar verplichtingen jegens cliënten, die effecten van haar te vorderen hadden, te allen tijde gehouden was ervoor te zorgen, dat haar effectenvoorraad in overeenstemming was met de aanspraken van haar cliënten, en nu niet door [verweerster 1] gesteld of gebleken is, dat [verweerster 1] juist certificaten Nillmij voor eigen rekening heeft verkregen en het tegendeel zelfs tussen partijen vaststaat, en nu niet door [verweerster 1] gesteld of gebleken is, dat juist ten aanzien van de zich thans in de boedel bevindende certificaten Nillmij als heer en meester beschikt heeft, het Hof in strijd met het recht in zijn arrest in het bijzonder in rechtsoverweging 10 heeft beslist, dat de Faillissementswet, onder meer het bepaalde in de artikelen 233 en 242 zich er tegen verzet, dat [verweerster 1] en de bewindvoerders alsnog zullen vaststellen, welke der vier in de boedel van [verweerster 1] aanwezige certificaten Nillmij aan [eiser 1] en [eiser 2] onderscheidenlijk toekomen en aan hen moeten worden uitgeleverd, aangezien zodanige vaststelling niet is een betaling in de zin van artikel 233 van de Faillissementswet, en voorts aangezien in de gegeven omstandigheden van een bevoordeling van bepaalde concurrente crediteuren tijdens de surséance van betaling in strijd met de wettelijke bepalingen betreffende surséance van betaling en het doel daarvan niet gesproken kan worden en/of de gezamenlijke crediteuren daartegen in redelijkheid en billijkheid geen bezwaar kunnen maken en/of van bewindvoerders zeer wel te vergen is aan zodanige toewijzing en uitlevering mee te werken;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2ae24b734d76559004ce7f6afe8a3e2d169fff7d088bebe50674a80c064a660. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2ae24b734d76559004ce7f6afe8a3e2d169fff7d088bebe50674a80c064a660, en de alinea staat in dat document op bytes 58968 tot 61744.