Citaat | Hoge Raad 13 december 1968
Alinea 71 Hoge Raad 13 december 1968
Een alinea uit Hoge Raad 13 december 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC3302.
1) ‘’dat Cadix een grief tegen het vonnis a quo heeft aangevoerd, welke inhoudt dat de Rechtbank ten onrechte al hetgeen zijdens haar — Cadix — is aangevoerd, met betrekking tot de causa van de cessie, alsmede de grondslag van de aansprakelijkheid van [betrokkene 1] jegens A.E.H., en in verband daarmede de regresvordering van [betrokkene 1] op haar — Cadix —, terzijde heeft gesteld op grond van de in het vonnis vervatte overwegingen; dat toch — aldus Cadix in haar toelichting, zoals zij die bij pleidooi in appel nader heeft gepreciseerd — zij als verweer voorop heeft gesteld dat [betrokkene 1] ten onrechte aansprakelijkheid jegens A.E.H. heeft erkend; dat immers [betrokkene 1] had aangenomen de vloer van de fabriekshal voor A.E.H. te reinigen en dat hij dit reinigen behoorlijk heeft gedaan, nu het tegengestelde in deze procedure noch gesteld noch gebleken is; dat, ook al zou de aard van een overeenkomst, waarbij iemand zoals in casu [betrokkene 1] aannam tegen een zekere vergoeding de vloer van een fabriek te reinigen, zonder meer meebrengen dat die persoon (in casu [betrokkene 1] ) aansprakelijk zou zijn voor schade aan goederen in de fabriek bij dat schoonmaken toegebracht, die persoon toch het recht had zich te disculperen, namelijk door overmacht te bewijzen; dat dit laatste ook gold wanneer [betrokkene 1] door A.E.H. gewaarschuwd zou zijn voor beschadiging der goederen of [betrokkene 1] aan A.E.H. had toegezegd de goederen in de fabriek niet te zullen beschadigen; dat zulks meebrengt dat, wanneer zij — Cadix — aan [betrokkene 1] een garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid zou hebben gegeven, de vordering van A.E.H. zou moeten worden afgewezen, omdat [betrokkene 1] dan terecht een beroep op afwezigheid van alle schuld casu quo overmacht zou hebben kunnen doen (en zij — Cadix — thans dit beroep kan doen, nu [betrokkene 1] het naliet, en zij het ook in feite doet), zodat er geen regresvordering van [betrokkene 1] op haar — Cadix — is ontstaan en de cessie-overeenkomst tussen A.E.H. en [betrokkene 1] een rechtsgeldige oorzaak ontbeert; dat derhalve — aldus nog steeds Cadix — de Rechtbank, instede van A.E.H. tot bewijs toe te laten, aan A.E.H. haar vordering had dienen te ontzeggen (nu, wanneer niet komt vast te staan dat zij aan [betrokkene 1] een garantie als hiervoor bedoeld heeft gegeven, de vordering van A.E.H. evenmin toewijsbaar is, reeds daarom niet aangezien [betrokkene 1] dan, zoals uit het vonnis a quo blijkt, geen vordering op haar — Cadix — heeft en de cessie-overeenkomst mitsdien eveneens een rechtsgeldige causa mist);
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/398904f88f460ba1d3ad51e6818fa2e1ce412cb3f19b8d34749e50ee35b33729. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 398904f88f460ba1d3ad51e6818fa2e1ce412cb3f19b8d34749e50ee35b33729, en de alinea staat in dat document op bytes 18147 tot 20791.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/398904f88f460ba1d3ad51e6818fa2e1ce412cb3f19b8d34749e50ee35b33729 | shasum -a 256