Citaat | Hoge Raad 19 juni 1968
Alinea 12 Hoge Raad 19 juni 1968
Een alinea uit Hoge Raad 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5955.
"dat belanghebbendes grief zich richt tegen deze afwijking van de aangifte, zakelijk op grond, dat hij steeds vrijgevig is geweest tegenover zijn twee kinderen, zulks niet alleen bij hun huwelijk en zijn zeventigste verjaardag, maar praktisch ieder jaar; dat belanghebbende schenkingen aan zijn kinderen zou hebben gedaan ook al zouden er geen mogelijkheden tot belastingbesparing zijn geweest; dat belanghebbende alleen bij het doen van schenkingen een voor hem fiscaal voordelige weg heeft gekozen door tot en met het jaar 1964 nog niet vervallen dividendbewijzen te schenken, waardoor de fiscale besparing kon worden bereikt; dat sedert 1965 deze mogelijkheid is verdwenen door het tweede lid van artikel 27 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 - hierna ook "de Wet" te noemen -, waarna belanghebbende toen een andere weg tot belastingbesparing heeft gezocht met als resultaat het schenken van het recht van vruchtgebruik van aandelen; dat de in voornoemde notariële akte bepaalde beperkte duur van het vruchtgebruik een zeer gegronde reden heeft, aangezien vanaf 1968 belanghebbendes inkomen in sterke mate zal verminderen door beëindiging van zijn lidmaatschap van de raad van toezicht van een hypotheekbankconcern; dat de Inspecteur kennelijk zijn afwijzende uitspraak baseert op voormeld tweede lid van artikel 27 in samenhang met het arrest van de Hoge Raad de dato 27 januari 1954, rolnummer 11584, B.N.B. 1954/101; dat in dit arrest wordt overwogen dat de begiftigde bij schenking van dividendbewijzen, voor zover het de op genoemde dividendbewijzen uit te keren dividenden betreft, in de zin van artikel 29 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 het recht van vruchtgenot van de desbetreffende aandelen verkrijgt; dat uit deze overweging duidelijk blijkt het verschil met het onderhavige geval, omdat hij die begiftigd wordt met het vruchtgebruik van bepaalde aandelen het zakelijk recht krijgt om van die aandelen de vruchten te trekken ongeacht of die vruchten slechts tegen inlevering van enig dividendbewijs kunnen worden genoten; dat dan ook een schenking van een recht van vruchtgebruik van aan de belastingplichtige in eigendom toebehorende aandelen in wezen iets anders is dan de schenking van dividendbewijzen, waarop dividend betaalbaar wordt gesteld; dat in de zienswijze van de Inspecteur niet alleen artikel 188 van de Grondwet wordt geschonden maar ook artikel 11 van de Wet houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk; dat artikel 27, lid 2, van de Wet aan duidelijkheid niets te wensen overlaat en uitsluitend betrekking heeft op schenking van niet vervallen dividendbewijzen, hetgeen overduidelijk blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling; dat het een eis van rechtszekerheid is dat een dergelijke bepaling niet extensief wordt geïnterpreteerd; ";
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cef4fe121504f2b9e9d3ac1637a6545d68ffedc3b28bda5a6c93408df7f3ed18. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cef4fe121504f2b9e9d3ac1637a6545d68ffedc3b28bda5a6c93408df7f3ed18, en de alinea staat in dat document op bytes 6194 tot 9038.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cef4fe121504f2b9e9d3ac1637a6545d68ffedc3b28bda5a6c93408df7f3ed18 | shasum -a 256