Citaat | Hoge Raad 19 juni 1968

Alinea 37 Hoge Raad 19 juni 1968

Een alinea uit Hoge Raad 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5955.

"De beslissing van de Hoge Raad zal goeddeels een einde kunnen maken aan de in de praktijk van de belastingheffing gerezen onzekerheid omtrent de vraag of, dan wel in hoeverre, belastingplichtigen door middel van schenking van een tijdelijk vruchtgebruik of een vruchtgebruik tot wederopzegging aan de werking van artikel 27, tweede lid, van de Wet kunnen ontkomen. Blijkens zijn eigen stellingen heeft belanghebbende tot en met het jaar 1964 aan zijn beide kinderen dividendbewijzen geschonken, waardoor een fiscale besparing kon worden bereikt. Toen met ingang van het jaar 1965 door het tweede lid van artikel 27 van de Wet deze mogelijkheid tot belastingbesparing verdween, heeft hij een andere weg tot belastingbesparing gezocht, met als resultaat het schenken van het recht van vruchtgebruik van aandelen voor een periode van drie jaar. Uit deze feiten kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het enig oogmerk van belanghebbende bij het tot stand brengen van de schenkingen in deze vorm, is geweest de werking van artikel 27, tweede lid, van de Wet, te ontgaan om zodoende toch een fiscale besparing te bereiken. Zulks brengt mede dat, indien mocht blijken dat de aldus geschapen rechtstoestand niet of praktisch niet verschilt van die welke zou zijn ontstaan bij schenking van dividendbewijzen, betrekking hebbende op de vermoedelijk gedurende drie jaren na de schenking te declareren dividenden, doel en strekking van de wet zouden worden miskend indien deze beide situaties niet fiscaal op dezelfde wijze zouden worden beoordeeld. Verwezen moge worden naar de arresten van de Hoge Raad van 26 mei 1926 (P.W. 12157), 2 december 1959, rolnummer 14070 (B.N.B. 1960/18) en 22 april 1964, rolnummer 15201 (B.N.B. 1964/180) (P.W. 17584). Anders dan belanghebbende voor het Hof heeft betoogd staat aan deze wijze van wetstoepassing niet in de weg dat artikel 27, tweede lid, voor de fiscale gevolgen van het schenken van dividendbewijzen een regeling geeft welke kennelijk is geschreven om een bepaalde wijze van belasting ontgaan te keren door middel van een fictie. Integendeel, juist bij dergelijke fictiebepalingen, die naar hun aard spoedig inspireren tot rechtshandelingen, welke formeel niet onder de fictie vallen, doch praktisch tot nagenoeg hetzelfde resultaat leiden, is veelal toepassing van de in de hierboven vermelde arresten neergelegde leer der wetsontduiking noodzakelijk om heffing overeenkomstig doel en strekking van de wet te waarborgen. Het is in dit verband tekenend dat het arrest van 26 mei 1926 juist op een dergelijke fictiebepaling betrekking had.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cef4fe121504f2b9e9d3ac1637a6545d68ffedc3b28bda5a6c93408df7f3ed18. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cef4fe121504f2b9e9d3ac1637a6545d68ffedc3b28bda5a6c93408df7f3ed18, en de alinea staat in dat document op bytes 20000 tot 22602.