Citaat | Hoge Raad 3 april 1968

Alinea 61 Hoge Raad 3 april 1968

Een alinea uit Hoge Raad 3 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5999.

III. Een derde mogelijkheid is, dat een schenker van een recht op inkomsten geniet op het moment dat de inkomsten bij de begiftigde vorderbaar en tevens inbaar worden. Het Hof neemt dit ook aan, maar op een andere grondslag: volgens het Hof heeft de schenker echt genoten, zij het dat hij fiscaal eerst geniet op het moment van artikel 33. Deze zienswijze is onjuist. Deze derde mogelijkheid kan zich dan ook alleen voordoen, indien men aanneemt dat de schenker, die niet zelf ontvangt, een fictieve genieter is. Dit kan zich volgens de Memorie van Toelichting voordoen, indien er een speciale bepaling is op grond waarvan de inkomsten geacht moeten worden te zijn toegevloeid. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ontbreekt een bepaling, waarin de werknemer tot fictieve genieter wordt gestempeld voor niet werkelijk door hem genoten inkomsten. Onder het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 was dit niet anders. Artikel 25, lid 1, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 creëerde geen fictieve loongenieter; het bepaalde slechts dat degenen, die op een bepaalde wijze tot de bron in relatie stonden, als genieter konden worden aangemerkt. Een zelfde opvatting vindt men ook bij de Staatssecretaris van Financiën in zijn onderschrift onder B. 8178. Lopende inkomsten, die onder bezwarende titel werden overgedragen, vormden geen inkomsten voor de werknemer. Met andere woorden artikel 25, lid 1, fingeerde de werknemer niet tot fictieve genieter van zijn overgedragen loon. In de structuur van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 was er geen reden om op dit punt verschil te maken tussen overdracht onder bezwarende titel en overdracht om niet. In beide gevallen wordt het overgedragen loon niet fictief genoten door de werknemer. Bij overdracht onder bezwarende titel is de tegenprestatie van de derde echt loon op de voet van artikel 36; bij overdracht om niet ontbreekt de tegenprestatie en is de werknemer niet te belasten. Men moet dan ook onder het Besluit tot de conclusie komen, dat bij overdracht om niet van een recht op loon de werknemer niet kan worden belast, omdat hij niet geniet, en de begiftigde niet kan worden belast, omdat hij door artikel 25 niet als genieter is aangewezen. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is hierin in zoverre wijziging gekomen, dat thans de begiftigde op grond van artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 als werknemer kan worden belast. Het Hof bestrijdt in een drietal rechtsoverwegingen deze zienswijze. Het Hof miskent daarbij de nieuwe structuur van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin niet zijn opgenomen bepalingen, die een relatie leggen tussen een subject en een bron van inkomen (anders dan voor een onderneming). Onder het Besluit was alleen dan iets als inkomsten bij iemand belastbaar, indien voldaan was aan een aantal voorwaarden:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b06fb7eb453dd55d1fb1815193b8ee0098e10e8ff2556eb6548eff685df8aa4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b06fb7eb453dd55d1fb1815193b8ee0098e10e8ff2556eb6548eff685df8aa4d, en de alinea staat in dat document op bytes 25565 tot 28409.