Citaat | Hoge Raad 18 april 1969

Alinea 35 Hoge Raad 18 april 1969

Een alinea uit Hoge Raad 18 april 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4925.

“De Rechtbank acht door de in onderling verband en samenhang beschouwde verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] bewezen, dat [betrokkene 1] , hangende de beslissing of hem de verdere ontgraving van de Berghaven te Katwijk, voor welk werk hij na en in overleg met de getuige [getuige 3] , de directeur van Openbare Werken van de Gemeente, een offerte had gedaan, zou worden gegund, met [getuige 3] ’s medeweten en toestemming klei uit de Berghaven heeft afgehaald en wel totdat er nog slechts een klein deel van de af te halen kleilaag overbleef. De Rechtbank acht door de verklaringen van de gehoorde getuigen niet bewezen, dat het afhalen van de klei op herhaald aandringen en onder toezicht van [getuige 3] is gebeurd. Zij acht door de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] , welke laatste waarnemend directeur van Openbare Werken van de Gemeente is, ook niet bewezen, dat [getuige 3] met [betrokkene 1] mondeling had afgesproken, dat de laatste voor de door hem uit de Berghaven af te halen en af te voeren klei vijftig cents per m3 aan de Gemeente zou moeten betalen, dat de afgehaalde klei later en profil zou worden gemeten en dat, indien en nadat het werk aan [betrokkene 1] zou zijn gegund afrekening zou volgen. Deze door beide getuigen gegeven voorstelling van zaken, waarvan de juistheid door de getuige [betrokkene 1] met klem wordt tegengesproken, vindt de Rechtbank niet geloofwaardig. Immers alleen al de kosten van het uitgraven, vervoeren en lossen van de klei bedroegen blijkens de verklaringen van de getuige-deskundige de Graaf en de getuigen [getuige 4] en [betrokkene 1] ongeveer ƒ 4,10 per m3, hetgeen beduidend meer is dan de ƒ 2,25 per m3 verminderd met 1% voor contante betaling, die de gemeente Leiden blijkens haar brief van 12 februari 1962 voor de haar door [betrokkene 1] geleverde en uit de Berghaven afkomstige hoeveelheid klei van 7566,4 m3 aan hem betaald heeft en ook meer dan de ƒ 3,50 per m3, die [betrokkene 1] van de getuige [getuige 5] voor de klei ontving. Het is niet aannemelijk, dat terwijl het allerminst zeker zou zijn, dat aan [betrokkene 1] het verder afgraven van de Berghaven zou worden gegund, deze onder die omstandigheden bereid zou zijn geweest op eigen kosten en bovendien nog tegen betaling van vijftig cents per m3 klei aan de Gemeente de kleilaag af te graven, weg te voeren en te lossen. [betrokkene 1] zou toch alleen dan dat op zich voor hem voorzienbare verlies opleverende afgraven op zich genomen hebben onder voorwaarden als door de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] genoemd, indien hem door of namens de Gemeente de zekerheid zou zijn gegeven, dat hem het werk gegund zou worden. Het geven van die zekerheid is ten processe echter niet komen vast te staan. Nu de Rechtbank Mr. de Vroom niet geslaagd acht in het bewijs van hetgeen hem bij het tussenvonnis van 13 oktober 1960 onder a) te bewijzen was opgedragen, dient hem reeds op deze grond zijn primaire vordering te worden ontzegd. Thans komt derhalve aan de orde zijn subsidiaire stelling, dat de Gemeente doordat [betrokkene 1] de litigieuze kleilaag heeft afgegraven en afgevoerd zonder dat de Gemeente hem daarvoor enige betaling deed, daardoor te zijnen koste zonder redelijke grond is verrijkt tot een bedrag van ƒ 26.000,--. Mr. de Vroom kan deze vordering, aangezien er tussen [betrokkene 1] en de Gemeente geen overeenkomst betreffende de meergenoemde afgraving van de Berghaven is tot stand gekomen, niet op een bepaald wetsartikel baseren. Toch acht de Rechtbank de vordering in principe toewijsbaar. Een aanknopingspunt daarvoor vindt zij in de artikelen 1487 en 1488 van het Burgerlijk Wetboek, die de gevolgen van nietigverklaring van rechtshandelingen regelen, met name in dier voege dat zoveel mogelijk herstel in de vorige toestand zal plaatsvinden. Wanneer [betrokkene 1] onder omstandigheden als in de eerste alinea van de rechtsoverwegingen in reconventie vermeld de kleilaag in de Berghaven ten behoeve van de Gemeente afgraaft en door die werkzaamheid een geldelijk nadeel lijdt en de Gemeente zonder enige redelijke grond een financieel voordeel geniet, dan heeft in geval van niet gunning van de ontgravingswerkzaamheden door de Gemeente aan [betrokkene 1] deze het recht op herstel in de vroegere toestand, hetgeen in casu betekent, dat de Gemeente hem zal moeten vergoeden dat wat de ontgraving van de Berghaven hem na aftrek van de baten gekost heeft en wel tot een maximum, dat gevormd wordt door de hoogte van het door de Gemeente tengevolge van zijn werkzaamheid genoten geldelijke voordeel. De Rechtbank zal nu onderzoeken of dat na- en voordeel aanwezig is geweest en zo ja tot welke bedragen dat het geval is geweest. Partijen verschillen van mening over de door [betrokkene 1] afgegraven hoeveelheid klei. Noch Mr. de Vroom noch de Gemeente hebben voor de juistheid van hun respectieve standpunten voldoende bewijs bijgebracht. Volgens de verklaring van de getuige [getuige 3] van 23 mei 1961 was de uitgegraven oppervlakte 6700 m2 groot en zou de uitgraafbare kleilaag niet meer dan 1.25 m hebben bedragen, namelijk 55 cm boven NAP en plus minus 70 cm beneden dat peil. Immers – aldus deze getuige – daar beneden zou men in het water komen en met een dragline niet meer kunnen werken. Mr. de Vroom stelt evenwel onweersproken althans niet in voldoende mate weersproken, dat [betrokkene 1] wel degelijk klei heeft afgehaald beneden de door de getuige [getuige 3] genoemde waterlijn, zodat dit feit ten processe vaststaat. De getuige [getuige 4] verklaart op 23 mei 1961 dat een opzichter van de Gemeente, nadat [betrokkene 1] met het werk gestopt was, door middel van opmetingen heeft uitgerekend hoeveel klei [betrokkene 1] had afgehaald. Nu evenwel niet nader wordt aangegeven op welke wijze en op welk tijdstip precies deze meting zou zijn verricht en evenmin de beweerdelijk gedane meting van de opzichter in het geding is gebracht, hecht de Rechtbank aan deze verklaring van de getuige [getuige 4] geen waarde. Deskundigen geven in hun aan de Rechtbank uitgebrachte rapport als hun oordeel, hetwelk de Rechtbank overneemt, te kennen, dat thans niet meer is te achterhalen hoeveel klei door [betrokkene 1] uit de Berghaven is gehaald. Schattenderwijs stellen deskundigen die hoeveelheid op 10.750 m3. De Rechtbank maakt deze schatting tot de hare. Deskundigen zijn verder van oordeel, dat door de werkzaamheden van [betrokkene 1] in de Berghaven de Gemeente een financieel voordeel heeft genoten dat – aldus deskundigen – weliswaar niet exact is vast te stellen, maar dat zeker groter is dan ƒ 26.000,--. Deskundigen baseren dit oordeel hierop, dat het zeker is, dat ingeval [betrokkene 1] niet de kleilaag zou hebben afgegraven, de door hen berekende hoeveelheid extra slib van 8000 m3 grote moeilijkheden in de ophoging zou hebben veroorzaakt en dat na de afsluiting zeker omvangrijke grondverbeteringen nodig zouden zijn geweest om het uitbreidingsplan Koestal in zijn huidige vorm, waarbij een eenvoudige en goedkope funderingswijze kon worden toegepast, te realiseren. De Gemeente bestrijdt dit oordeel van deskundigen. Zij stelt, dat zij, indien [betrokkene 1] de kleilaag niet zou hebben afgegraven en weggevoerd, deze klei zou hebben kunnen gebruiken voor de ophoging zonder dat de grens van het toelaatbare percentage klei daardoor zou zijn overschreden. Thans heeft zij 8500 m3 duinzand moeten aanvoeren, dat zij anders elders had kunnen gebruiken dan wel voor ƒ 1,25 per m3 had kunnen verkopen. Deskundigen stellen hiertegenover, dat ook zonder opbrenging van de door [betrokkene 1] afgegraven en afgevoerde klei de hoeveelheid slib reeds tot maatregelen noopte omdat de grens van het toelaatbare al was overschreden. Tegenover dit deskundig oordeel stelt de Gemeente ter adstructie van haar standpunt de mening van meergenoemde [getuige 3] , die bovendien uitgaat van een geringere hoeveelheid afgegraven klei dan deskundigen, namelijk 8500 onderscheidenlijk 10.750 m3. Onder deze omstandigheden houdt de Rechtbank zich aan het oordeel van de door haar benoemde onpartijdige deskundigen en neemt dit oordeel over. Een aanwijzing voor de juistheid van dit oordeel put de Rechtbank bovendien uit het feit, dat de Gemeente volgens haar eigen stelling duinzand en geen klei al dan niet vermengd met zand, heeft doen opbrengen. De Rechtbank neemt dan ook het deskundig oordeel en de gronden, waar het op berust, over, dat, zou de door [betrokkene 1] afgegraven en afgevoerde klei ter ophoging zijn opgebracht, zulks in het uitbreidingsplan Koestal omvangrijke grondverbeteringen, die de Gemeente meer dan ƒ 26.000,-- gekost zouden hebben, nodig gemaakt zou hebben teneinde het uitbreidingsplan in zijn huidige vorm te verwerkelijken. Tegenover deze besparing van kosten aan de kant van de Gemeente van meer dan ƒ 26.000,-- staat dat [betrokkene 1] verlies geleden heeft op het afgraven en afvoeren van de litigieuze kleilaag; een verlies, dat de Gemeente hem niet heeft vergoed. Zoals overwogen kostte het afgraven, vervoeren en lossen van de klei [betrokkene 1] ƒ 4,10 per m3 . Tegenover deze kosten stonden baten. [betrokkene 1] verkocht namelijk de door hem afgegraven klei onder andere aan de gemeente Leiden en de getuige [getuige 5] . Op grond van het voorhanden bewijsmateriaal stelt de Rechtbank de prijs, die [betrokkene 1] voor de klei maakte op ƒ 2,25 per m3. Elke kubieke meter klei kostte [betrokkene 1] mitsdien ƒ 4,10 – ƒ 2,25 = ƒ 1,85. Zijn geldelijk nadeel bedroeg derhalve in totaal 10.750 x ƒ 1,85 = ƒ 19.887,50. Daarentegen werd de Gemeente verrijkt voor meer dan ƒ 26.000,--, zoals als overwogen deskundigen hebben berekend. Uit dit alles volgt, dat de Gemeente ƒ 19.887,50 aan Mr. de Vroom zal moeten betalen en als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten zal moeten worden veroordeeld.’’;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2, en de alinea staat in dat document op bytes 21523 tot 31596.