Citaat | Hoge Raad 18 april 1969
Alinea 36 Hoge Raad 18 april 1969
Een alinea uit Hoge Raad 18 april 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4925.
dat de Gemeente in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage tegen de vonnissen van 13 oktober 1960, 19 maart 1964 en 28 oktober 1965, voor zover zij in de reconventie zijn gewezen, waarna Mr. de Vroom incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 28 oktober 1965, voor zover in reconventie gewezen; dat de Gemeente tegen het eindvonnis van de Rechtbank onder meer als grief aanvoerde, dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat niet is bewezen dat mondeling met [betrokkene 1] was overeengekomen, dat deze voor het afnemen van de klei ƒ 0,50 per m3 zou betalen en dat de klei later in profiel zou worden gemeten; dat het Hof in een tussenarrest van 19 april 1967 deze grief heeft onderzocht en gegrond bevonden, waarna het Mr. de Vroom toeliet tot tegenbewijs door middel van getuigen; dat het Hof na de getuigen te hebben gehoord bij zijn thans bestreden arrest eerst heeft overwogen en beslist dat Mr. de Vroom door de verklaringen van enige getuigen en door een brief van de Gemeente het tegenbewijs heeft geleverd, zodat het Hof er verder van uitgaat, dat [betrokkene 1] voor de door hem afgegraven klei van meet af aan niets behoefde te betalen, waarna het Hof vervolgens overweegt: “ten aanzien van de vordering van Mr. de Vroom op grond van ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeente: dat uit dien hoofde het naar ’s Hofs oordeel geen verschil maakt of die afgraving heeft plaatsgehad al dan niet op verzoek van [betrokkene 1] , nu als vaststaande moet worden aangenomen, dat [betrokkene 1] dit werk niet zou zijn begonnen met de wetenschap dat hem het werk van de Berghaven niet zou worden gegund, en het Hof met de Rechtbank en de deskundigen ervan uitgaat en als vaststaande aanneemt, dat de Gemeente door die werkzaamheden van [betrokkene 1] is gebaat, terwijl de Rechtbank in haar eindvonnis naar ’s Hofs oordeel voldoende aanknopingspunten heeft gegeven om de vordering toe te wijzen, zullende echter het Hof, zoals hierna bij de bespreking van de nog niet behandelde grieven zal blijken, tot toewijzing komen van een lager bedrag, dan de Rechtbank bepaalde; dat uit het hiervoren overwogen volgt, dat de door de Gemeente tegen het eindvonnis aangevoerde grieven sub 2 b en d haar niet kunnen volgen; dat de Gemeente in grief sub c aanvoert, dat de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen, dat deskundigen de afgegraven hoeveelheid klei schattenderwijs hebben vastgesteld, terwijl zij dit slechts stellenderwijs hebben gedaan; dat die grief gegrond is, immers deskundigen duidelijk niet anders hebben gedaan dan een gemiddelde aannemen van de hen voorgehouden hoeveelheden; dat het Hof, en zulks met name in verband met de in eerste aanleg door de getuige [getuige 4] met betrekking tot de opmeting afgelegde verklaring aangaande de hoeveelheid der door [betrokkene 1] afgegraven klei uitgaat van een hoeveelheid van 8500 m3 en op grond van de door de Rechtbank gemaakte juiste becijfering van een bedrag van ƒ 1,85 per m3 als aan Mr. de Vroom te betalen vergoeding; dat hetgeen Mr. de Vroom in zijn incidenteel hoger beroep te dier zake aanvoert, met name dat in de brief van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente van 21 april 1954 wordt gesproken van een laag ter dikte van 2 m in plaats van een laag ter dikte van 1,25 m, zodat tenminste 13000 m3 zou zijn afgegraven, reeds hierom niet opgaat omdat ten processe niet vaststaat, dat [betrokkene 1] alle klei heeft afgegraven en al evenmin, dat een dergelijke, kennelijke schatting, boven een nauwkeurige meting zou praevaleren; dat hetgeen de Gemeente sub e en f tegen het eindvonnis aanvoert met betrekking tot de door [betrokkene 1] met betrekking tot de afgraving gemaakte kosten en de door haar aan hem per m3 te betalen vergoeding op grond van het hierboven overwogene haar niet kan volgen;”: dat het Hof op deze en andere, thans niet ter zake doende, gronden de vonnissen van de Rechtbank van 13 oktober 1960 en 19 maart 1964 heeft bekrachtigd en met vernietiging van het vonnis van 28 oktober 1965 de Gemeente heeft veroordeeld om aan Mr. de Vroom q.q. te betalen een bedrag van ƒ 15.725,--; Overwegende dat de Gemeente het eindarrest van het Gerechtshof bestrijdt met de volgende middelen van cassatie: “I. Schending van het recht alsmede verzuim van vormen waarvan het in acht nemen op straffe van nietigheid is voorgeschreven door te overwegen en te beslissen gelijk in voormeld arrest is weergegeven, ten onrechte, omdat het Hof, nadat de Gemeente onder meer in grief twee sub b had aangevoerd, dat in casu geen plaats is voor een actie uit ongerechtvaardigde verrijking, heeft beslist - na nog onder meer te hebben overwogen dat het geen verschil maakt of de ten processe bedoelde afgraving heeft plaatsgehad al dan niet op verzoek van [betrokkene 1] – dat de Rechtbank in haar eindvonnis naar ’s Hofs oordeel voldoende aanknopingspunten heeft gegeven om de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toe te wijzen, zij het dat het Hof tot toewijzing van een lager bedrag is gekomen dan de Rechtbank bepaalde en het Hof dusdoende 1) zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, aangezien de beslissing, dat de Rechtbank voldoende aanknopingspunten heeft gegeven als voormeld, in het duister laat of en in hoeverre het Hof de overwegingen en beslissingen van de Rechtbank omtrent de toewijsbaarheid van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking overneemt en tot de hare maakt, zijnde aldus niet duidelijk en/of begrijpelijk, op welke gronden het Hof van oordeel is dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking behoorde te worden toegewezen; 2) terwijl, indien het Hof bedoeld mocht hebben de evenbedoelde overwegingen en beslissingen van de Rechtbank (behoudens het door de Rechtbank toegewezen bedrag als zodanig) tot de zijne te maken en aldus ook met betrekking tot ’s Hofs arrest moet gelden hetgeen de Rechtbank heeft overwogen, te weten onder meer: “Toch acht de Rechtbank de vordering in principe toewijsbaar. Een aanknopingspunt daarvoor vindt Zij in de artikelen 1487 en 1488 van het Burgerlijk Wetboek, die de gevolgen van nietigverklaring van rechtshandelingen regelen, met name in dier voege dat zoveel mogelijk herstel in de vorige toestand zal plaatsvinden. Wanneer [betrokkene 1] onder omstandigheden als in de eerste alinea van de rechtsoverwegingen in reconventie vermeld de kleilaag in de Berghaven ten behoeve van de Gemeente afgraaft en door die werkzaamheid een geldelijk nadeel lijdt en de Gemeente zonder enige redelijke grond een financieel voordeel geniet, dan heeft in geval van niet gunning van de ontgravingswerkzaamheden door de Gemeente aan [betrokkene 1] deze het recht op herstel in de vroegere toestand, hetgeen in casu betekent, dat de Gemeente hem zal moeten vergoeden dat wat de ontgraving van de Berghaven hem na aftrek van de baten gekost heeft en wel tot een maximum, dat gevormd wordt door de hoogte van het door de Gemeente tengevolge van zijn werkzaamheid genoten geldelijke voordeel.”, terwijl de omstandigheden welke in de eerste alinea van de rechtsoverwegingen in reconventie waren vermeld aldaar als volgt waren omschreven: “dat [betrokkene 1] , hangende de beslissing of hem de verdere ontgraving van de Berghaven te Katwijk, voor welk werk hij na en in overleg met de getuige [getuige 3] , de directeur van Openbare Werken van de Gemeente, een offerte had gedaan, zou worden gegund, met [getuige 3] ’s medeweten en toestemming klei uit de Berghaven heeft afgehaald en wel totdat er nog slechts een klein deel van de af te halen kleilaag overbleef.”, het Hof aldus ten onrechte de vordering toewijsbaar heeft geacht, a) aangezien een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, en/of uit hoofde van verrijking zonder meer, in casu niet kan steunen op een wettelijke bepaling, b) aangezien een zodanige vordering in casu ook niet past in het stelsel van de wet en/of aansluit bij de wèl in de wet geregelde gevallen en zulk een aansluiting met name niet kan worden gevonden in de artikelen 1487 en 1488 van het Burgerlijk Wetboek en deze artikelen alleen de gevolgen regelen, die intreden bij nietigverklaring van verbintenissen en/of rechtshandelingen doch niet regelen in welke gevallen zodanige nietigverklaring moet plaatsvinden, terwijl, overigens, hier niet aan de orde is de vernietiging van een verbintenis of van een rechtshandeling en evenmin aan de orde is de vernietiging van een andere handeling, daargelaten of en in hoeverre er rechtens de rede zou kunnen zijn van de vernietiging van een andere handeling dan een rechtshandeling en, al zou het laatste anders zijn en al zou ook in casu wel sprake kunnen zijn van vernietiging van een andere handeling dan een rechtshandeling, van een analogische toepassing van de mogelijkheden tot vernietiging van verbintenissen en/of rechtshandelingen niet sprake kan zijn, omdat zich hier niet voordoet een geval dat aansluit bij de in de wet geregelde gevallen van nietigverklaring en/of vernietiging van rechtshandelingen, zijnde voorts, ook afgezien van vernietiging van verrichte handelingen als zodanig, in een geval als het onderhavige geen aanleiding om een verrijking die bij een procespartij moge hebben plaatsgevonden ten behoeve van diens wederpartij ongedaan te maken en er geen omstandigheden aanwezig zijn die aansluiting zouden kunnen bieden bij de in de wet, in het bijzonder het in het Burgerlijk Wetboek geregelde verbintenissenrecht geregelde gevallen en mogelijkheden van een herstel in de vorige toestand en meer in het bijzonder geen aansluiting kan worden gevonden bij dwang, dwaling, bedrog en/of handelingsonbekwaamheid, c) en, wijders, het oordeel dat – als [betrokkene 1] onder omstandigheden als in het vonnis van de Rechtbank vermeld een geldelijk nadeel lijdt en de Gemeente zonder enige redelijke grond een financieel voordeel geniet – in geval van niet gunning van de ten processe bedoelde werkzaamheden door de Gemeente aan [betrokkene 1] deze laatste het recht heeft op herstel in de vorige toestand, in het duister laat waarom rechtens [betrokkene 1] recht op zodanig herstel zou hebben en aldus geen inzicht wordt verkregen in de gedachtengang van de rechter en in het bijzonder niet duidelijk is op welke rechtsgrond de rechter tot zijn oordeel omtrent het herstel als voormeld is gekomen en van welk criterium hij is uitgegaan nopens de toewijsbaarheid van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, terwijl in ieder geval de gebezigde motivering de mogelijkheid open laat dat de rechter het geldelijk nadeel aan de zijde van [betrokkene 1] enerzijds en het zonder redelijke grond genieten van een financieel voordeel door de Gemeente anderzijds reeds genoegzaam acht voor toewijzing van meer omschreven vordering, zijnde derhalve ook op deze grond ’s Hofs arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed en in ieder geval aldus is miskend, dat voor de toewijzing van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, respectievelijk uit verrijking zonder meer, niet genoegzaam is dat de ene partij een geldelijk nadeel lijdt en de andere partij zonder enige redelijke grond een financieel voordeel geniet, d) en al het hierboven sub a, b en c betoogde nog te meer klemt, nu [betrokkene 1] , gelijk het Hof vaststelt, het werk niet zou zijn begonnen met de wetenschap dat hem het werk aan de Berghaven niet zou worden gegund terwijl anderzijds, gelijk door de Rechtbank was vastgesteld zonder dat hieromtrent door het Hof anders is geoordeeld, aan [betrokkene 1] door of namens de Gemeente geen zekerheid is gegeven, dat hem het werk (wèl) gegund zou worden en voorts door het Hof in zijn interlocutoir arrest van 19 april 1967 is vastgesteld, dat [betrokkene 1] er zozeer op rekende, dat het werk hem door Katwijk zou worden gegund, dat hij wel enig risico durfde nemen en ook heeft genomen, door met het afgraven aan te vangen, alvorens hem het werk was gegund, 3) terwijl, indien de hierboven sub 1 vermelde klacht geen doel treft en evenmin kan worden aangenomen, dat het Hof de sub 2 bedoelde overwegingen en beslissingen tot de zijne heeft gemaakt, a) ’s Hofs arrest ook dan niet is naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien alsdan evenmin inzicht wordt verkregen in de gedachtengang van de rechter en in het bijzonder niet duidelijk is op welke rechtsgrond de rechter tot zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is gekomen en van welk criterium hierbij is uitgegaan, terwijl ook dan de gebezigde motivering de mogelijkheid open laat welke in onderdeel 2 sub c van dit middel breder is omschreven en voorts aldus eveneens is miskend, dat voor de toewijzing van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking respectievelijk verrijking zonder meer niet genoegzaam is dat de ene partij een geldelijk nadeel lijdt en de andere partij zonder enige redelijke grond een financieel voordeel geniet, terwijl, gelijk vermeld onder onderdeel 2 sub a en b van dit middel, een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in casu niet kan steunen op een wettelijke bepaling en zulk een vordering in casu ook niet past in het stelsel van de wet en/of aansluit bij de wèl in de wet geregelde gevallen,
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2, en de alinea staat in dat document op bytes 31602 tot 45144.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2 | shasum -a 256